maandag 8 februari 2010

Naarden en het leger; tijd voor een nieuwe relatie?

Naarden is van ouds een garnizoensstadje. Ooit gesticht op de plaats waar het nu ligt vanwege de strategische ligging op de oost - west route van mogelijke aanvallers vanuit het oosten.
Een bewogen militaire geschiedenis was het gevolg: 80-Jarige Oorlog, Rampjaar 1672, Franse tijd met een beleg in 1813 - 1814 en mobilisaties in 1914 - 1918 en 1939 - 1940.
Daarna werd het rustiger, maar de soldaten bleven. Tot 1981 was er een kazerne in Naarden met daarin een eenheid van de Verbindingsdienst.
Pas toen de laatste militairen daaruit vertrokken en Defensie de laatste gebouwen verkocht of overdroeg aan de Rijksgebouwendienst, verloor Naarden haar soldateske karakter.
Dat is niet erg, want Naarden als monumentale stad met een rijk verleden heeft voldoende mogelijkheden om zich in een andere gedaante te presenteren: stad van creativiteit en ontwerpers, stad van culinair genot, stad van beeld en verbeelding en een stad waar men graag woont.
Dat was in de tijd van garnizoenstad wel anders; in de jaren '50 en '60 van de 20e eeuw was de vesting geen welvarend oord. Wie kon, vertrok en je was wel gek als je een woning binnen de wallen kocht. Hoe anders dan nu, waar zelfs de eenvoudigste soldatenwoning voor veel geld weggaat.

Toch is het wel jammer dat dat militaire karakter helemaal verdwenen is. Het is eeuwenlang een onderdeel van het leven en het straatbeeld geweest, zoals deze ansichtkaart van het Promersplein laat zien.
Vandaag had ik een sergeant van de Afdeling Voorlichting/Werving van de Landmacht op bezoek die wilde praten over de mogelijkheid voor de Landmacht zich te laten zien in de samenleving en daarin ook het Vestingmuseum zou willen betrekken.
Nu is dat voor het museum best interessant vanwege de demonstraties en het materieel die men dan meeneemt. Het lijkt me nog veel mooier om één keer per jaar de oude banden met het leger weer aan te halen. Exercitie van het regiment artillerie op het Promersplein, een optreden van de Koninklijke Militaire Kapel, een parade van historische artilleristen (die we zelf in de vesting hebben: Batterij RA en de vestingartelleristen van het museum) en hun moderne wapenbroeders en een static show van het huidige geschut van de krijgsmacht, één dag waarin Naarden weer garnizoenstad mag zijn.

Voor Defensie goed om zich in de samenleving, het dagelijks leven te laten zien, voor Naarden goed om zich bewust te blijven van haar wortels in het verleden.

dinsdag 26 januari 2010

Opnieuw.............. studentenwerk

Ik heb al eens eerder geschreven hoe leuk het kan zijn om met studenten te werken. Dat werd vorige week weer onderstreept bij de oplevering van de Personal Museum Guide door een zestal studenten van Fontys Hogeschool in Venlo. Zij doen een master in SOFA (software factory) en hebben een programma geschreven waarmee het Vestingmuseum in de toekomst op de nieuwe locatie Bastion Oranje een innovatieve 'museale meemaking' kan bouwen. Een eerdere groep studenten heeft in 2009 de hardware van het concept getest en laten zien dat het werkt. Deze jongens hebben hart en longen voor het systeem gemaakt, software waarmee je leven in de oude gebouwen kan brengen.

Die meemaking zal het hart van het nieuwe museum worden. Een (inter)actieve wandeling door het leven van militairen in een vestingstad als Naarden rond 1900. Als soldaat, sergeant, kapitein, wasvrouw, commandantsvrouw of met een neutrale rol (waarin je alleen feitelijke informatie krijgt) wandel je straks door het bastion en maakt mee wat die personen toen meemaakten. Het gebouw 'weet' waar je bent en wie je bent en reageert met bij jouw rol horende teksten en beelden. Zo loop je straks letterlijk door de geschiedenis en krijgt die geschiedenis een gezicht en naam. Niet alleen krijg je feitelijke informatie over de ruimten waarin je loopt, ook persoonlijke elementen van het soldatenleven zijn er een onderdeel van; sociale verhoudingen, rangen en standen, wat ze in hun vrije tijd deden, wat ze aten en hoe ze dat vonden......... in de vorm van een museaal toneelstuk waarin je zelf meespeelt.
Hoeveel dichter kan je op het verleden komen?

Het mooie was dat de studenten meer gemaakt hebben dan waarom ik gevraagd had. Ze hebben het idee een stap verder meegenomen, niet alleen een actieve respons op de bezoeker maar zelfs interactiviteit met beeld, geluid en andere fysieke handelingen als input hebben ze in hun software gestopt.


Een goed voorbeeld is een exhibit waarin je als bezoeker als soldaat op wacht moet gaan staan in een wachthuisje. Wachtlopen lijkt wel spannend en leuk, maar als je dat week in, week uit moet doen en er is nooit iets aan de hand, dan is dat behoorlijk vervelend en frustrerend, het soldatenbestaan in vredestijd in een notendop. In de meemaking weet het systeem wie je bent en als je bij het wachthuisje komt, krijg je bevel erin te gaan staan, op wacht. Je krijgt dan te horen dat je niet mag bewegen en bewegingsloos moet blijven staan (wie heeft nooit de schildwachten bij Buckingham Palace gezien?). Bewegingssensoren in het wachthuisje zien of je inderdaad de voorgeschreven drie minuten stil blijft staan (en dan is drie minuten erg lang hoor!). Doe je dat niet en beweeg je te vroeg, dan krijg je op je donder van de drilsergeant. Blijf je netjes staan, krijg je na drie minuten een compliment en kan je verder gaan. En natuurlijk moeten alleen soldaten op wacht staan; sergeanten, officieren en dames lopen natuurlijk geen wacht.


De volgende stap is het werkende concept nu verder te ontwikkelen tot een uitvoerbaar plan, met een inhoudelijke component (welke verhalen willen we vertellen) en een uitvoerinsgcomponent (hoe kunnen we dit systeem ook daadwerkelijk bouwen). Een spannende tocht door (deels) onbekend terrein. Maar met creatieve studenten als die uit Venlo komen we zeker een heel eind!

woensdag 13 januari 2010

Vestingmuseum 2.0 of het plan met de moeilijke naam.......

Vandaag een klein succesje gevierd: de plannen voor de realisatie van een nieuw Vestingmuseum zijn formeel van start gegaan!

Werkend in het Vestingmuseum sinds 2004 werd het mij in de loop van de jaren steeds duidelijker dat het een prachtig museum in misschien wel de mooiste en gaafste vestingstad van Nederland is, maar dat het museum ook onder een heleboel beperkingen opereerde: geen beste ligging binnen de vesting, een erg lastig terrein voor minder mobiele bezoekers, geen aansprekend front of 'smoel' voor het museum, (te) weinig ruimte voor zaken als kantoren, opslag, depot, wisseltentoonstellingen, verhuurlocatie, werkplaats en dergelijke.
Eerst probeer je die beperkingen binnen de begrenzingen van het bestaande museum te verhelpen: een nieuwe plek voor de entree, verplaatsing van het museumcafé en -winkeltje naar een betere locatie, een aantrekkelijker activiteitenprogramma, meer/betere/slimmere marketing en uiteindelijk de complete vernieuwing van de museale presentatie!
Dat helpt wel........wat, maar blijft uiteindelijk toch aanmodderen in de marge.
De enorme terugval in bezoekcijfers tussen begin jaren '90 (ruim 50.000) en 2004 (zo'n 21.000) kon daarmee wel gestopt worden (nu zitten we weer op een 24.500 bezoekers). En ook de financiële positie van het museum die zo'n terugloop van bezoekers met zich brengt (we verdienen 60% van de museuminkomsten uit entreegelden, activiteiten en koffie/winkelverkopen) hebben we kunnen verbeteren, maar, zoals gezegd, het blijft relatief marginaal.

Wat bracht ons tot het ambitieuze (sommigen zeggen: waanzinnige ;-) plan om het museum te willen verplaatsen naar een andere locatie binnen de vesting?
Dat had alles te maken met een groeiend besef bij de eigenaar-beheerder van de vestingwerken, de Rijksgebouwendienst (RGD), dat er meer met de vesting gedaan zou kunnen worden. Traditioneel was de RGD een stenenstapelaar (zoals een van hun medewerkers het noemde): vielen ze om, stapelden ze ze weer op. Maar wat je er daarmee deed was niet aan de RGD maar aan de gebruikers en huurders van die stenen.
De RGD steekt bijna 50% van haar monumentebudget, nodig voor het onderhoud van zo'n 100 monumenten in het hele land, in die ene vesting: Naarden! En daar komen dan maar een kleine 25.000 mensen jaarlijks van genieten, in het vestingmuseum.
Een wat scheve situatie die in 2007 in contrast kwam te staan met het bezoek van een aantal Deense vestingsteden aan Naarden. De Denen lieten zien hoe de Deense rijksoverheid in samenwerking met gemeenten en lokale instellingen als musea en historische verenigingen, veel meer "maatschappelijk rendement" uit hun vestingen weet te halen.
Dat was een eye-opener voor zowel de RGD als de gemeente Naarden en het vestingmuseum. Voor de RGD was het aanleiding een nieuwe beheers- en gebruiksvisie voor de vesting te gaan schrijven.

Dit gegeven was bij mij in het hoofd blijven woelen en rond de kerstdagen van 2007 schreef ik vanuit die woelerigheid een plan om het museum te verhuizen naar Bastion Oranje (Bo), de Gele Loods (Gl) en de Utrechtse Poort (Up). Plan BoGlUp.



Daarin zou de prachtige Utrechtse Poort uit 1877, met een schitterende façade en strategisch gelegen op de toeristische route binnen de vesting, de trekker, het gezicht en de entree van het nieuwe museum vormen. De naastgelegen Gele Loods, een houten genieloods van 45 meter lang bij meer dan 5 meter breed, vormt de eerste bezoeklocatie en vormt een logische verbinding voor de bezoeker vanuit de Utrechtse Poort richting Bastion Oranje. Bastion Oranje tenslotte beschikt over veel interessante en veelzijdig inzetbare gebouwen. Een presentatieketen die vrijwel alle tekortkomingen van de huidige museumlocatie verhelpt en zelfs mogelijkheden schept voor verdergaande inhoudelijke ontwikkeling (waarover in een later blog meer).

Met instemmend enthousiasme van het bestuur benaderde ik daarop een bevriende tekenaar die het plan in een aantrekkelijke artist-impression wist te gieten:


Op 28 februari 2008 had ik de man van de RGD die Naarden in portefuille had op de koffie gevraagd en legde hem de tekening en het plan voor: "Marcel, ik heb een nogal wild plan en hoor graag je reactie".
Die reactie was heel positief en vandaar zijn we vertrokken in het omzetten van visie naar plan en vandaar naar realisatie. De eerste stappen zijn vandaag gezet. Een formele in het tekenen van een samenwerkingsovereenkomst tussen de RGD en de gemeente Naarden en een praktische in het indienen van de aanvraag bouwvergunning voor de restauratie van de Utrechtse Poort door de RGD. Dat is nog geen twee jaar na het op tafel leggen van een wild idee. Dat is snel voor dit soort projecten en vooral te danken aan het enthousiasme van zowel de RGD als de gemeente.

We zijn er natuurlijk nog lang niet en af en toe heb ik best de shakes als ik denk aan alles wat er nog op ons af gaat komen. Maar "who dares, wins" en Naarden en het museum zijn het waard om prominent en prachtig in beeld te komen.................. en te blijven!

woensdag 30 december 2009

Museum en Oorlog

Kort geleden kreeg ik een tot nadenken stemmende mail van een bezoeker over het fenomeen van het presenteren van oorlog in het museum.
Zij had zich geërgerd aan het ogenschijnlijke gemak waarmee we in het vestingmuseum oorlogsgeweld presenteren; geschiedenis, wapens en militaire techniek als vrij droge feiten tentoonstellen.

Dat is een probleem waar alle militaire musea mee worstelen.
Voor het Vestingmuseum gaat dat zeer zeker ook op. De vraag is, hoe eerlijk ben je naar je publiek toe? Breng je die onderdelen uit de geschiedenis in hun (soms) volle gruwelijkheid, dan loop je de kans dat het publiek naar en misselijk het museum verlaat.
Mag je dat je publiek aandoen? Meestal zijn het toch mensen die gewoon leuk een dagje uit zijn. Aan de andere kant, door het alleen maar bij de 'leuke' en 'mooie' kanten van het krijgsbedrijf te houden, schep je een vals beeld van de geschiedenis.
'Leuk' een kanon afschieten als demonstratie, maar daarbij niet vertellen wat zo'n kanonskogel met het menselijk lichaam deed? Een geweer met bajonet tentoonstellen, zonder toelichting op de verwondingen die een man tot man gevecht met koud staal oplevert?
Veel militaire musea blinken uit in het tonen van de techniek: zalen vol tanks, vliegtuigen, geweren, sabels en andere wapens en uniformen. Ze verhalen weliswaar wel van strijd, lijden en dood, vaak sneeuwt dat toch wat onder bij de hoeveelheid materieel erfgoed.

Hoe kan het dat we als publiek in staat zijn naar films als "Schindlers List" te kijken? Met alle gruwelen van de Holocaust. Of naar "Saving Private Ryan"? Met het bloedbad op D-Day in Normandië in full-colour op het filmdoek. Waarom lezen we boeken waarin alle details beeldend beschreven worden?
Zit dat verschil in de filmkeuring? Of in de keuzevrijheid om zo'n film niet te gaan bekijken en zo'n boek niet te lezen? Maar je hoeft toch ook niet naar een museum toe (behalve met school en dan zou juist het hele, complete, verhaal voorop moeten staan), dat is een vrije keuze net als het gaan naar de film of lezen van een boek.
Moeten musea vooral leuk en gezellig blijven?

Voor het nieuwe Vestingmuseum dat we in de periode 2010 - 2014 verwachten te ontwikkelen is het goed die vragen te stellen en de dilemma's van vertellen en presenteren onder de loep te nemen.
Gisteren was ik daarvoor in Ieper in het "In Flanders Fields Museum" dat bekend staat om de indringende manier waarop men de Eerste Wereldoorlog presenteert. Ik moet zeggen dat het mij wat tegenviel qua inleving en gevoel voor de mannen in de loopgraven. Veel teksten en foto's, vitrines met objecten, behoorlijke traditioneel qua tentoonstellen.
Wat op mij het meeste indruk maakte was een opstelling van gasmaskers waar om de paar minuten gas (rook) omheen opsteeg terwijl gedichten van Wilfried Owen en John McCrae werden voorgedragen:

'Gas! GAS! werd er gebruld. Als de donder rukten we
Die rotmaskers net op tijd over ons hoofd.
Een kreeg het niet voor elkaar
En krijste vertwijfeld als een dier in nood.
Vaag zag ik door mijn beslagen glazen, in een dichte waas
Als onder water in een snotgroene zee, hoe hij verzoop.

(Wilfried Owen: Dulce et decorum est)

De suggestie is soms sterker dan het werkelijke beeld.

Heel sterk hierin is het Museum Het Dolhuys in Haarlem, museum van de psychiatrie. Een mengeling van traditionele opstellingen met objecten en materialen uit de geschiedenis van de psychiatrie met de verbeelding van de levenswereld van de psychiatrische patiënt.
Het Dolhuys is geen 'leuk' museum, wel ontroerend, informatief en reflectief. Een museum dat je bijblijft.

Dat zou wel eens de richting van het verhaal van oorlog en vrede door de eeuwen heen in een vestingstadje als Naarden kunnen zijn..........

maandag 14 december 2009

Cultuur en geschiedenis en politiek

Een week of wat geleden was er een boeiende middagconferentie bij BMC Consultancy met als onderwerp "Cultuur". Vooral de workshop 'Lef en Leiderschap' leverde een mooie discussie op over de positie van cultuur in de politiek.
De conclusie was dat de hedendaagse politiek niet veel inhoudelijks heeft met cultuur, het gaat vooral om geld en machtsspel, zoals bijvoorbeeld bij de locatie van het Nationaal Historisch Museum.

Pas later besefte ik me dat er geen woord was gesproken over wat die cultuur dan wel zou moeten zijn, voor wie en met welk doel. Een korte zoekslag op internet leerde me dat er een enorm aantal definities in omloop zijn, vele tientallen.
Deze vond ik wel aardig vanwege de beknoptheid en scherpte: Cultuur heeft dus te maken met maken, scheppen, creëren. Wat verbouwd wordt, gecultiveerd, bewerkt door de mens, of gecreëerd, dat is cultuur.
Scherp, want bij BMC kwam ter sprake dat Geert Wilders en zijn PVV voorstellen alle cultuursubsidies af te schaffen. Dat roept meteen de vraag op "Hoezo afschaffen?", Wilders wil toch de Nederlandse en Westerse cultuur behoeden tegen de oprukkende Islam?
Waar zit dan het verschil tussen de 'cultuur' van de PVV en de 'cultuur' die we over het algemeen zien in de "C" van het Ministerie van OC&W?
Is dat 'high culture' vs 'low culture'? André Hazes versus Het Nederlands Danstheater? Het Stedelijk Museum met moderne kunst tegenover het Spoorwegmuseum met locomotieven en wagons? En waar plaats je een orkest als dat van André Rieu?
Ik vermoed dat Geert een wat selectieve kijk op cultuur heeft.

Het doet me denken aan een gesprek dat ik een paar jaar geleden voerde in het Luchtmachtmuseum met een luchtmachtgeneraal die had aangegeven niks met het verleden te hebben en vond dat het museum maar opgeheven moest worden. Ik vroeg hem waar hij zijn vliegeropleiding in was begonnen en dat zette hem aan tot een enthousiast verhaal over de leskisten uit de jaren '60 en de vraag of we zo'n toestel ook in het museum hadden, zíjn geschiedenis, zíjn cultuur.........
Een soortgelijk verhaal was de man die ik op de Vakantiebeurs aansprak of hij ons museum kende. Hij zei nooit naar musea te gaan omdat hij niks met geschiedenis had. Ik vroeg hem naar het WK Voetbal '74 en toen hij vol vuur over die verloren finale begon kon ik hem toch wel overtuigen van het feit dat ook dat geschiedenis is, zíjn geschiedenis, zíjn cultuur............
Misschien gaat deze meneer nu wel naar de Voetbal-experience in Middelburg, voetbalthemapark en voetbalmuseum in één.

Ik ben ervan overtuigd dat het een kwestie is van het juiste haakje vinden om iemand vast te kunnen haken aan 'cultuur'.
Daarbij kunnen instellingen die in staat zijn verschillende maatschappelijke groepen in hun gemeenschappelijke interesse met elkaar te verbinden een belangrijke brugfunctie vervullen. Kastelen, forten en technische- en vervoersmusea zijn naar mijn idee bij uitstek dat soort instellingen.
En natuurlijk is ook het Vestingmuseum zo'n plek en kan dat met de verhuizing en vernieuwing binnen Naarden-Vesting nog meer worden: een spannende beleving, letterlijk binnenin cultureel erfgoed, die met een beetje geluk ook aan niet direct in geschiedenis geïnteresseerde bezoekers toch wat kennis en belangstelling en begrip voor cultuur meegeeft.

zondag 29 november 2009

De onrendabelen, in musea?

Vorige week de verontrustende documentaire "De Onrendabelen" van Marcel van Dam gezien en afgelopen vrijdag het vervolg in de uitzending "Eigen schuld, dikke bult" met Paul Witteman en een viertal deskundigen op het gebied van (sociale) bekwaamheden, hersenontwikkeling en werk & inkomen.

Verontrustend omdat ik me blijkbaar onvoldoende realiseerde dat er zoveel mensen buiten de boot vallen. En niet alleen buiten de boot van werk, ook buiten de boot van meetellen voor de samenleving. Verontrustend ook omdat ik vanuit het museum weet dat er veel werkzaamheden zijn die 'de Onrendabelen' voor ons museum zouden kunnen uitvoeren en waarschijnlijk ook voor veel andere cultureel- en sociaal-maatschappelijke instellingen.

Bij het weer functioneel maken van monumenten die ongeschikt of te kwetsbaar zijn voor normaal economisch gebruik (zoals de vestingwerken van Naarden)is een mooie term in gebruik: maatschappelijk rendement.
Daarmee bedoelen we dat de investeringen die het Rijk jaarlijks in onderhoud en beheer van bijvoorbeeld Naarden Vesting steekt niet in geldelijke opbrengsten (huur) terugkeren, maar wel in schoonheid, cultuurbehoud en cultuurbeleving voor bezoekers aan de vesting. De belastingbetaler krijgt dat maatschappelijk rendement terug voor zijn belastingeuro's.

Dat principe zouden we ook van toepassing kunnen verklaren op de problematiek van 'de Onrendabelen'. Zoals een van de experts in het programma van Paul Witteman al aangaf, vroeger liepen er in bedrijven en instellingen een aantal mensen rond om koffie rond te brengen, de post, kopieerwerk te doen, kleine klusjes en nog zo wat van die dingen die het werk gemakkelijker en soepeler maken. Deze mensen dragen in economisch rendement niet direct bij aan het resultaat van een bedrijf, hun rendement zit in werkplezier, zowel van henzelf als van andere medewerkers, saamhorigheid en een gevoel van meedoen in de samenleving.
Bovendien vraag ik me af of de geringe extra kosten die 'de onrendabelen' met zich meebrengen als ze betaald kunnen gaan werken, niet terugverdiend worden op andere terreinen. Een geringer beroep op de gezondheidszorg bijvoorbeeld, een mens die zich nuttig en gewenst voelt is immers minder vaak en minder ingrijpend ziek. En ook door een lager beroep op sociale voorzieningen en diensten.
De meerkosten van een extra bedrag bovenop de hoogte van een uitkering is dan snel terugverdiend lijkt me.
Helaas zijn al deze functies verdwenen uit bedrijven en instellingen vanwege efficiency maatregelen. Toen ik bij het Luchtmachtmuseum werkte in de jaren '90 bestond dit nog wel. Een aantal militairen mocht de laatste jaren voor het functioneel-leeftijd-ontslag en na een reorganisatie waarin hun baan was verdwenen, uitdienen in het museum, een prima maatregel die het gevoel van eigenwaarde van de betrokkenen zeker goed deed, een soort bedankje voor jaren trouwe dienst vormde en menigmaal niets afdeed aan het enthousiasme en de inzet van die medewerkers. Integendeel, velen bloeiden weer op en vonden hun plek in een geheel andere functie dan welke ze jarenlang uitgeoefend hadden. Ik vraag me overigens af hoe dat beeld er nu binnen de Krijgsmacht uitziet.

Zou de museumwereld niet een sector kunnen zijn die 'de Onrendabelen' rendement gaat laten opleveren? Maatschappelijk rendement dan wel. Als 'maatschappelijk rendabelen', mensen die in het economisch verkeer wellicht niet meekunnen, maar die zich op andere vlakken en vakken prima zouden kunnen ontplooien, zowel tot (werk)plezier van henzelf als in hun bijdrage aan onze samenleving.

De Resolutie van Middelburg zoals met enthousiasme ontvangen tijdens het jaarlijkse Museumcongres, spreekt over "De Nederlandse musea gaan proactief de gemeenschap en de politiek benaderen om, vanuit onze kerntaken en met respect
voor onze authenticiteit, plannen en programma’s te ontwikkelen ter ondersteuning van sociaal-maatschappelijke opdrachten en projecten
"
Daar sluit een visie op hoe musea samen met de zwakkeren in de samenleving erfgoed kunnen beheren goed aan. En mooi genoeg niet alleen vanuit eenrichtingverkeer van een vorm van hulpverlening, nee vanuit wederkerigheid die ook inzet van de andere kant vraagt, inzet op een verantwoord niveau en in een passend tempo.

Musea, museumvereniging, overheid, sla de handen ineen en kijk of we samen met 'de Onrendabelen' voor maatschappelijk rendement kunnen zorgen.

donderdag 19 november 2009

Fluisteren en vragen stellen

Vandaag een blog over een onderwerp dat (gelukkig) ver van het museumwerk afstaat, althans in het Nederland van vandaag.
Het onderwerp staat dan wel ver van het museum af, het roept wel op of een museum niet veel indringender vragen zou moeten stellen. Musea zijn bij uitstek plaatsen waar je zaken kan bekijken, waar zaken uitgelegd en toegelicht worden, maar of het ook plaatsen zijn waar heel expliciet vragen gesteld worden............?

De aanleiding ligt in het lezen van het boek "The Whisperers, Private Life in Stalin's Russia" van Orlando Figes, een soms letterlijk adembenemend boek over hoe gewone Russen overleefden (en heel vaak ook niet) in het Rusland van Stalin.
Verhaal na verhaal, voorbeeld na voorbeeld laat zien hoe het communistisch ideaal in de jaren na de geslaagde revolutie van 1917 naar de achtergrond verdwijnt en je, zeker na de machtsovername door Stalin, Rusland in een bedompt land van wantrouwen en intimidatie ziet veranderen. Om Rusland in die periode een politiestaat te noemen doet het systeem van angst en intimidatie tekort. Ik geloof dat zelfs het Nazibewind in Duitsland niet zo'n complete controle over haar burgers had. Zonder de gruwelen van de Gestapo te willen bagatelliseren, het Rusland van eind jaren '30 was zo doordesemd van afluisteren, informeren, spioneren, beschuldigen en bestraffen van Sovietburgers door andere Sovietburgers dat het nauwelijks is voor te stellen.
De geheime politie (NKVD) speelde een grote rol, maar toen het mechanisme van aangeven, beschuldigen, intimideren en verdachtmaken eenmaal goed was gaan rollen, werd het een zichzelf voedend monster. Er niet aan meedoen kon in veel gevallen betekenen dat jij blijkbaar niet oplettend genoeg was, dat jij niet bereid was spionnen en verraders, die wel in je omgeving actief moesten zijn, op te sporen en aan te geven. En dan werd je vanwege een gebrek aan activisme zelf opgepakt en afgevoerd. Damned if you do and damned if you don't, welke kant je ook opspringt, ze pakken je altijd. Ook en zelfs tegen je familie en kinderen kon je niet meer zeggen wat je dacht, omdat ze bewust of onbewust jou opmerkingen door konden geven of omdat de muren in Soviet communale woningen papierdun waren en je buren bereid waren je aan te geven om jouw, iets grotere appartement over te nemen. De Fluisteraars en zelfs fluisteren was soms al te luidruchtig. Honderdduizenden verdwenen in de Gulag, de strafkampen, honderduizenden werden vermoord en de Sovietpsyche was zodanig dat velen dachten dat alleen in hun geval een fout gemaakt was, al die anderen hadden blijkbaar iets gedaan waarvoor ze gestraft moesten worden.
Tot in de jaren '90 van de 20e eeuw durfden Russen hun kinderen en kleinkinderen niet te vertellen dat zij in een kamp hadden gezeten of zelf kinderen waren uit een zogenaamd anti-soviet gezin (Kulakken, Trotskyisten, Bourgeoisie), dat kon gevaarlijk zijn en hoewel het Sovietregime al jaren was verdwenen, je weet maar nooit of het niet terug zou komen............

Adembenemend en mindboggeling, ik schreef het al. Als je dat dan vergelijkt met de samenleving waarin wij nu leven, is dit een absolute hemel op aarde. Het begint pas voorstelbaar te worden als je je gaat voorstellen dat je je eigen familie niet kan vertellen dat je een hekel hebt aan Jan-Peter Balkenende, de maandenlange opbreking van je straat een brevet van onvermogen van de gemeente is, zelfs niet dat het Nederlandse onderwijssysteem beroerd is. Alles, zelfs de geringste kritiek of het kleinste ongenoegen kan zich tegen je keren.
En wat heeft een museum daarmee te maken? Zouden musea niet veel vaker vragen moeten stellen aan hun bezoekers? Zeker musea als het Vestingmuseum die oorlog en vrede tot onderwerp hebben, maar ook andere musea voor wie onze samenleving een gegeven is waar je (schijnbaar) nauwelijks over hoeft na te denken.
Laat niet alleen zien hoe het vroeger was, leg niet alleen uit waarom mensen toen bepaalde dingen deden, zet je bezoeker ook voor het blok, stel hem voor (morele) dilemma's die hem aan het denken zetten over fundamentele waarden.
Ik weet, het klinkt allemaal erg hoogdravend, maar ik ben ervan overtuigd dat je met herkenbare situaties dicht bij je publiek kan komen en hen die vragen kan stellen. "The Whisperers" staat vol met alledaagse, bijna banale, maar angstaanjagende voorbeelden. In zo'n situatie willen we niet terecht komen en musea kunnen daar wellicht een klein steentje aan bijdragen.