maandag 24 augustus 2015

Erfgoed en Emotie


Twaalf jaar geleden reed ik voor het eerst de vesting Naarden binnen, een vestingstad waar ik natuurlijk van gehoord had, maar (ohhhh schande!) nooit had bezocht.
De eerste reactie bij het oversteken van de brug bij de Helfrichweg en het in zicht komen van de vesting was “Woow! Wat gaaf!”.
Groen, massief, machtig, met brede gracht ervoor, vredig met een onderhuidse kracht en de slanke kerktoren die boven de vestingwallen uitsteekt en voor diepte zorgt.

Die overweldigende indruk, dat gevoel, is eigenlijk nooit meer weggegaan, bleef altijd terugkomen als ik de vesting binnenreed. Vooral in de vroege ochtend is dat gevoel het sterkst, de stilte die dan op de vesting heerst, het effect van de vesting als een slapende reus is dan maximaal.

–-----------------------------------------------------------------------------------

Deze gevoelens die monumentaal erfgoed blijkbaar oproept zijn interessant, maar in mijn ogen vreemd genoeg veel beperkter dan bij andere cultuuruitingen.

Zo roepen in kunst en cultuur, van high culture met cantates van Bach tot low culture met de tranentrekkers van André Hazes, van een gemoedelijk werkje van Schelfhout tot een verontrustend kunstwerk met ingewanden van de Chinese kunstenaar Cao Hui en van romans als American Psycho tot De Avonden van Reve gevoelens op van verbazing, ontroering, betovering, ontspanning, maar ook walging, ongerustheid, melancholie en verontwaardiging. Een veel rijker pallet dan cultureel erfgoed heeft, uitzonderingen daargelaten. Bij monumentaal erfgoed moge het duidelijk zijn dat het Anne Frankhuis andere gevoelens losmaakt dan de molens van Kinderdijk of het Paleis op de Dam.

De potentie van gevoelens die erfgoed los kan maken is veel groter dan waar in de praktijk mee gewerkt wordt. Naast de eerste reactie die een gebouw of monument oproept, zou het de moeite waard zijn te onderzoeken wat er nog meer mogelijk zou zijn. Welke gevoelens zitten erin? Welke zou je willen oproepen? Welke gevoelens kan je waarvoor gebruiken? En zijn er zaken die je per se niet wil oproepen bij je publiek?

Waarom werken we niet bewuster met het gevoel wat ons erfgoed ons geeft? Zijn we misschien teveel inhoudelijk betrokken? Willen we teveel het verhaal vertellen, de feiten weergeven van het gebouw of de locatie?

En dan hebben we in onze monumenten vaak ook te maken met de “nostalgie factor”, die goeie ouwe tijd die alles verzacht en hooguit amusant en verwonderlijk maakt waar het vroeger vies, ongemakkelijk en oncomfortabel was. Leuk zo'n geëmailleerde badkuip, tot je weet dat je als bediende emmer aan emmer water warm moest stoken boven het vuur en dan elke emmer de trap op dragen naar het bad van de heer des huizes en na afloop al het vuile water weer naar beneden. Alles behalve nostalgisch.
Het stoere kasteel met ridders en jonkvrouwen, het machtige fort met de zware kanonnen en heldhaftige soldaten, het imposante paleis met fraai geklede koningen en prinsessen.
We maken daar ook graag gebruik van, ons publiek is hier tenslotte voor een “leuk dagje uit”. Niemand zit te wachten op verontrustende gevoelens na een bezoek aan zo'n prachtige plek als de vesting Naarden, Paleis het Loo of een imposant jachtslot. Toch?

Het gevaar is echter dat we daarin allemaal op elkaar lijken: fort – kasteel – vesting – paleis met uitwisselbare romantiek, stoerheid, grandeur en een vleugje avontuur.

En dat terwijl er zoveel meer emoties en gevoelens aan de monumenten verbonden kunnen worden: de wanhoop van een commandant in zijn fort, de eenzaamheid van een koning in zijn paleis, de minachting die een prinses voelt voor haar bedienden, de heimwee van soldaten in de kazerne.

Ik wil graag die andere emoties verbonden aan monumenten gaan gebruiken, zonder de feitelijke juistheid van het verhaal uit het oog te verliezen. Het moet geen karikatuur of freakshow worden en de scheidslijn tussen een attractie als de Amsterdam Dungeons en een serieus museum kan dun zijn (hoe succesvol en professioneel Amsterdam Dungeons ook zijn!).

Dat hangt ogenschijnlijk samen met de doelstellingen van de opdrachtgever: informatief, leuk en gezellig spreekt meer gezinnen aan en verkoopt waarschijnlijk meer kopjes koffie met appeltaart!
Althans, daar zijn erfgoedinstellingen beducht voor, niemand uitsluiten voor maximale bezoekersaantallen.

Als je wat dieper kijkt is het wel wonderlijk: waarom zijn er zoveel gerespecteerde genres in film en literatuur die zich zaken kunnen veroorloven waar geen museum zich aan zou wagen? De landingsscene in Normandië van Saving Private Ryan waarin je je werkelijk op het slagveld waant en de soldaten gruwelijk sneuvelen. Een boek als Gelukkige Slaven van Tom Lanooye wat is genomineerd voor de beste roman met literaire sex (whatever that may be) of een naargeestige roman als De Avonden.

In menig oorlogsmuseum valt geen dooie Duitser te ontwaren, laat staan één zonder ledematen, verbrand in een vliegtuig of wat er van hem is overgebleven nadat er een tank overheen is gereden.
Meestal staat de techniek centraal, de wapens, de uniformen, maar niet het menselijk lijden.
Het Vestingmuseum geeft al een waarschuwing voor de geluiden van een WOI bombardement in kazemat W (alleen geluid, geen beeld, geur of gevoel) en dan nog komen er wel eens klachten.

De psychologische thriller is een populair genre in film en romanvorm, maar ik ken geen beklemmend Nederlands museum die deze stijlvorm systematisch hanteert om een verhalend doel te bereiken.
In Washington heeft het Holocaust Museum daar wel elementen van gebruikt. Zo moet je 's ochtends op een plein wachten voor gratis entree en mag je uiteindelijk naar binnen door in een rij te gaan staan langs de muur van het museum. Na binnenkomst zie je een vrijwel identieke foto van Joden die in de rij staan in een concentratiekamp met zo'n zelfde muur met booglampen erboven. Jij hebt je net als hen willoos in de rij laten zetten! Heel simpel, heel effectief en heel beklemmend.

Wat is dat met onze monumenten? We willen teveel uitleggen, vertellen, vinden onszelf niet serieus genoeg als we niet serieus zijn.

Maar waarom niet? Je kan kotsend uit de bioscoop komen na een naargeestige horrorfilm en toch genoten hebben van die film of hebben moeten huilen na het lezen van een ontroerend boek en het toch prachtig hebben gevonden. Die emoties en gevoelens zouden we in monumenten en musea ook moeten durven toepassen.

De afgelopen jaren heb ik veel geleerd van de paar experimentele belevingsvormen waaraan ik heb meegedaan, soms ook in of met het Vestingmuseum: een Megagame waarin je een dag lang vanuit een soort commandopost met zo'n honderd man het commando voert over twee elkaar bestrijdende legers. Onder enorme tijdsdruk beslissingen moeten nemen over leven en dood, communicatie en miscommunicatie met je mede bevelhebbers, politieke druk van bovenaf voor snelle, onrealistische resultaten. Toen gespeeld in een fantasieloos zalencentrum, maar dit perfect passen in een fort of kazerne en elkaar zo wederzijds versterken.
De Masterclass van de Society of Play liet zien dat je fantastisch goed morele dilemma's in spelvorm in erfgoed kan onderzoeken. Binnen vijf minuten na begin van het spel “De Politie” dacht ik al “wat goed! Dit is echt niet leuk!” omdat de setting en het scenario maakten dat je voelde welke onmogelijke keuzes er gemaakt moesten worden en er geen goed of fout bestond. Geen boek, film of tentoonstelling had in zo'n korte tijd zo'n effect kunnen bereiken.
Een andere was de Auditieve vertelling van Wouter de Roo over Nederland en Nederlanders in WOI, vorig najaar gespeeld in een Genieloods in Naarden. Dit participerend hoorspel nam de deelnemers mee in de ontzetting, eenzaamheid en angst van de Grote Oorlog. Één uur participatietheater, gespeeld in passend erfgoed.

Er is veel mogelijk met erfgoed. We moeten het alleen durven en durven ons publiek dit te laten ondergaan.

zondag 14 april 2013

Hoe herdenken we?

Vanmorgen las ik een artikel over Herdenking, een stuk over de onthulling, 67 jaar na dato, van een standbeeldengroep in Engeland voor de bemanningen van Bomber Command van de RAF, de Engelse Luchtmacht, in de Tweede Wereldoorlog. http://www.historyinanhour.com/2012/06/30/bomber-command-memorial-summary/
Dat riep bij mij direct een reactie op van gemengde gevoelens van verbazing, vraagtekens en moet je dat wel willen?
Het is onmiskenbaar dat de bemanningen van de bommenwerpers onvoorstelbare inzet hebben getoond, slechts één op vier bemanningen overleefde een tour van 25 missies naar Duitsland en de vluchten zelf waren uren durende zenuwslopende opdrachten die vele van de jonge geesten brak of beschadigde zelfs al kwamen ze weer heelhuids terug.
Ook onmiskenbaar is dat de inzet van de bemanningen op zichzelf getuigde van een bijdrage om een gruwelijke macht, Nazi Duitsland, te bestrijden en ten val te brengen. Je kan niet anders dan een meewarige bewondering opbrengen voor de jonge jongens, soms nog maar 18 of 19 jaar oud, die bij vluchten tot acht uur achter elkaar in zo'n kleine, krappe geschutskoepel kropen om midden in de nacht, eenzaam achterin zo'n bommenwerper naar Duitse nachtjagers te turen en in elk stipje een dodelijke vijand meenden te zien.
Waar je aan de andere kant zeker je vraagtekens bij kan zetten is het doel waarmee de bommenwerpers van Bomber Command werden ingezet, het bewust terroriseren van de Duitse burgerbevolking door het platbranden van Duitse steden. De vuurstorm van Hamburg 1943 met ruim 40.000 doden en zeker dat van Dresden in februari 1945 met 25.000 doden en 30.000 gewonden worden als (halve?) oorlogsmisdaden gezien die weinig militair nut dienden.

En moet je nu juist voor de bemanningen van die bommenwerpers een standbeeldengroep maken? Het standbeeld van de commandant van Bomber Command, sir Arthur Harris, is meer omstreden en heeft permanente bewaking nodig.
In Nederland kennen we een soortgelijke discussie over de standbeelden voor Van Heutz, de generaal die eind 19e eeuw Sumatra "pacificeerde" waarbij 10.000-enden slachtoffers onder de Atjehers vielen. Zijn van Heutz monument aan de Apollolaan in Amsterdam is inmiddels omgedoopt in een gedenkteken voor Indië - Nederland. Voor zover ik weet is er geen monument voor de mannen van Van Heutz, de Marechaussee te voet. Hun inzet en bijdrage aan de pacificatie van Atjeh zou je kunnen vergelijken met de inzet van de bemanningen van Bomber Command.



Voor een museum als het Vestingmuseum een interessant vraagstuk omdat wij een monument in stand houden dat ontworpen is voor militaire doeleinden (hoewel niet met de omstreden geschiedenis van Bomber Command of van Heutz) en we het nu presenteren als een "leuk dagje uit" met als kers op de taart het regelmatig afvuren van oude kanonnen. Alle militaire musea zitten met zo'n dilemma, hoe combineer je het presenteren van een militair verleden, soms omstreden, met een mooie ervaring voor je publiek.
Ik denk dan maar dat we van zwaard van de vesting een vredelievende ploegschaar hebben gesmeed. Dat de vesting nu een bolwerk tegen onverschilligheid is waarin aandacht voor kunst, cultuur en een rijk en geschakeerd verleden centraal staan.

zondag 20 januari 2013

Musea, nieuwbouw, oudbouw, renovatie?

Twee weken geleden was ik bij "Het afscheid van Delft" van het Legermuseum, een prachtige zaterdag met programma in de Oude Kerk in Delft en voor het laatst in het Armamentarium aan de Korte Geer.
Als echte 'Delvenaar' was het mooi en ook een beetje droevig om het vertrek van het Legermuseum mee te maken. Ik kon me de aankomst in de jaren '80 nog goed herinneren. Het museum kwam toen uit Leiden, uit het Pesthuis (waar nu Naturalis zit). Ik had aan de overkant van de gracht staan kijken hoe een Centuriontank via een pontonbrug en een opgebroken zijmuur van het museum naar binnen werd gebracht, mooie maar moeizame operatie en wel symbolisch voor een historisch museum dat een levend onderwerp als de Landmacht tot verzamelgebied heeft. Daar blijven dus nieuwe objecten binnenkomen. In een gebouw als het Armamentarium blijft dat problemen opleveren.
Het Armamentarium is (deels) in 1601 - 1602 gebouwd als artilleriemagazijn voor de Staten van Holland en West-Friesland en daarmee een uitermate natuurlijk passende locatie voor het Legermuseum.
Het karakteristieke gebouw had zijn voors en tegens. Vlak bij het station en midden in de historische binnenstad was het goed bereikbaar met openbaar vervoer en prima te combineren met een dagje Delft. Parkeren met auto was een stuk minder makkelijk, tot de oplevering van het nabij gelegen theater De Veste met bijbehorende parkeergarage.
Belangrijke nadelen voor een dergelijk technisch museum waren de buitenlocaties van de depots, deels in Delft zelf (Paardenmarkt), deels daarbuiten en de beperkte mogelijkheden tot demonstraties en living history in en rond het museumgebouw.

Bij het weggaan liepen we via de Lange Geer en Zuidwal naar het station en viel me de overeenkomst met het Scheepvaartmuseum in Amsterdam op. Gelijksoortige gebouwen met een oorspronkelijke functie die dicht bij het huidige museaal gebruik ligt. Het Scheepvaartmuseum heeft ervoor gekozen het gebouw ingrijpend te restaureren en te verbouwen, het Legermuseum kiest voor verhuizing en nieuwbouw.
Zou zo'n keuze voor het Legermuseum ook gemaakt kunnen zijn? We zullen het nooit weten, want op dit moment is de bouw van het nieuwe Militair Historisch Museum in Soesterberg in volle gang. Daar krijgt men een zee van ruimte, zowel voor exposities als voor de depots die in en direct bij het museum komen, plaats voor demonstraties met voertuigen en living history, misschien ook wel vliegbewegingen (het MHM is een fysieke fusie van Leger- en Luchtmachtmuseum en organisatorisch ook met de overige defensiemusea).
Maar wat laten ze achter, wat zullen ze zeker verliezen? Dat is toch de historische sfeer van het Armamentarium waar Prins Maurits heeft rondgelopen, waar de grote krijgsheer Napoleon zijn voetstappen heeft gezet. De massieve eiken balken, doorrookt door talloze generaties militairen, het sfeervolle kruipdoor-sluipdoor van in elkaar verweven gebouwen. Een gebouw waar de vaandels van Waterloo zich thuis voelen.
In gebouwen als het Armamentarium voor de militaire geschiedenis en het 's Lands Zeemagazijn voor de maritieme geschiedenis is er sprake van een bijna volmaakte symbiose van vorm, inhoud en daadwerkelijke sense of place. Misschien ben ik daar gevoeliger voor dan andere bezoekers, gebruikers, museummensen, maar het is niet voor niets dat musea als het Hermitage aan de Amstel, het Scheepvaartmuseum en locaties als de Nieuwe Kerk in Amsterdam zo succesvol zijn, niet alleen vanwege hun inhoud, maar ook door de historische huisvesting.
Mijn ideaalbeeld was de Engelse situatie geweest, het Imperial Warmuseum in het historische complex Bedlam (ironisch genoeg in vroeger tijden een gekkenhuis in Londen) en het Legermuseum in het Armamentarium in Delft, met daarnaast hun buitenlocaties Duxford en Soesterberg voor de moderne collecties en ruimte voor depots en demonstraties. Nederland is daar echter te klein voor en wij zijn niet bewust genoeg van ons militaire verleden (een natie onstaan uit opstand en strijd) om daar veel geld aan te willen besteden.

Ik zal mijn nieuwe 'buren' (Soesterberg ligt niet al te ver van Naarden af) eind 2014 zeker gaan bezoeken en ben heel benieuwd naar niet alleen de exposities, maar ook de (militaire) sfeer van het nieuwe museum.
Voor het Vestingmuseum ben ik blij dat wij werken aan een nieuw museum in de historische vestingwerken van Naarden, waar vorm en inhoud samenlopen en de gebouwen en terrein onlosmakelijk onderdeel vormen van de collectie.

donderdag 22 november 2012

Nationale monumenten naar de veiling?

Recent werd bekend dat er bij de Rijksgebouwendienst een lijst rond gaat van de MEF monumenten die op de nominatie staan om afgestoten worden naar 'de markt'. Het gaat hierbij om Monumenten met een Erfgoed Functie. Dat zijn rijksmonumenten die niet bij het rijk zelf in gebruik zijn voor huisvesting van een dienst of ministerie oid. Zo is de koepelgevangenis in Haarlem een rijskmonument in gebruik bij het Rijk en valt dus niet onder de MEF monumenten, evenzo het Rijksmuseum en het Scheepvaartmuseum, het Binnenhof en Paleis Huis ten Bosch. De minister van binnenlandse zaken zal binnen enkele dagen het afstotingsbesluit ondertekenen waarna het via de ministerraad, 2e en 1e kamer kracht van wet zal worden.

Wat er wel onder valt is een honderdtal monumenten van groot (inter)nationaal belang. Om er enige van te noemen: het Muiderslot, Slot Loevestein, de Vesting Naarden, het Westfries Museum (Hoorn), kasteel Radboud (Medemblik), Paleis Soestdijk, de Gevangenpoort, Trompenburg ('s Gravenland), Huis Doorn etc. In veel van deze iconische monumenten huizen musea en andere organisaties die gebruik maken van de unieke karaktereigenschappen van de monumenten en ze openstellen voor het publiek. Dat doen ze al decennia lang, van kort voor tot vlak na de Tweede Wereldoorlog. De eigenaar is het Rijk en het beheer en onderhoud is in de capabele handen van de Rijksgebouwendienst (RGD). Met teams van restauratie-experts, architecten en bouwhistorici hebben zij deze monumenten van sloop of verval gered en teruggebracht naar een onberispelijke staat. Samen met de gebruikers is inmiddels een werkwijze ontstaan waarbinnen de mogelijkheden voor ontsluiting van deze monumenten centraal staat, om zo openstelling voor publiek en een optimale exploitatie mogelijk te maken zonder de monumenten wezenlijk aan te tasten. Daarin is inmiddels een enorme expertise opgebouwd binnen de RGD.
Vanwege bezuinigingsopgaven is door toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Donner opdracht gegeven te onderzoeken of de monumenten afgestoten kunnen worden uit het rijksbezit. Een van de onderleggers hierbinnen is het vermeende beschermende karakter van de Monumentenwetgeving. Deze zou inmiddels zo goed zijn en functioneren, dat schade aan en aantasting van de monumenten niet of nauwelijks zou kunnen voorkomen. Daarmee is de noodzaak tot beheer door het Rijk weggenomen. De monumenten kunnen dus wel overgedragen worden in eigendom aan een private organisatie (stichting) die gemakkelijker dan het Rijk private funding kan ophalen en door efficiënter opereren ook het beheer en onderhoud goedkoper kan uitvoeren. De RGD kan dan kleiner (bezuiniging op de omvang van de overheid) en het budget voor beheer en onderhoud naar beneden.
Echter, in de ogen van veel gebruikers, musea en monumentenorganisaties is deze aanname verkeerd. De Monumentenwetgeving is reactief en kan initiële aantasting van monumenten slecht voorkomen. Wat eenmaal gesloopt is, is moeilijk of niet te herstellen. Bovendien zal een private organisatie, veel meer dan bij de RGD, de neiging hebben om commercieel interessant gebruik van een monument toe te staan, wat slecht kan uitpakken voor het monument. Bij het Rijk staan deze commerciële belangen veel minder of niet voorop, maar is het publieke gebruik van groter belang. Daarnaast zal de enorme ervaring die binnen de RGD is opgebouwd vermoedelijk verloren gaan. Bij gebrek aan geld is het risico levensgroot dat deze iconische monumenten van de vaderlandse geschiedenis in ruïneuze staat zullen vervallen.

Wij begrijpen dat in tijden van crisis gezocht moet worden naar goedkopere, meer efficiënte oplossingen voor het beheer van dit erfgoed en we staan daar open en positief tegenover. Onze vraag aan de minister is om dat samen met ons te willen onderzoeken en voor elk monument in een maatwerkoplossing (want daarvoor zijn ze te verschillend) bezuinigingen en meer efficientie te realiseren. Het eigendom kan bij de Rijksoverheid blijven, dan kan de controle in geval van wanbeheer altijd weer overgenomen worden (zo zijn belangrijke kunstcollecties ook in eigendom bij het Rijk en in beheer gegeven aan nationale musea). Beheer, onderhoud en exploitatie kan wel door een private organisatie worden uitgevoerd die daarin andere wegen kan inslaan dan de overheid open staan en fondsen aantrekken die bij de overheid niet mogelijk zijn. In al hun financiële ellende verkopen zelfs de Grieken de Akropolis niet! Zouden wij dat wel doen?

zondag 11 november 2012

Copacabana, fort(en) in Rio de Janeiro

Copacabana, niet meteen een naam waarbij je denkt aan een fort. Copacabana, dat is een wereldberoemd strand in exotisch Rio de Janeiro, gebronsde mensen, strings, zon, caparina's. Maar geen kanonnen, beton, staal, pantserdoorborende granaten. En toch, en toch. Het Fort aan de Copacabana is misschien wel het best bezochte fort ter wereld. 1.000.000 bezoekers per jaar! De derde, soms zelfs tweede toeristische attractie van Rio de Janeiro, na de Corcovado (het Jezusbeeld) en de Pao du Sucre (de Suikerbroodberg).

Eind oktober 2012 kreeg ik de kans dit unieke fort te bezoeken tijdens het 8e seminar van de "Citades Fortificade" in Rio de Janeiro. Samen met Oscar Hefting van de New Holland Foundation, was ik uitgenodigd om daar te spreken. Oscar hield zijn lezing over de Nederlandse forten op de kust van Brazilië die daar in de 17e eeuw zijn gebouwd. Ik sprak over het hergebruik van forten en vestingsteden in de Hollandse Waterlinie en Stelling van Amsterdam. De organisatie was in handen van de Exércitio Brasileiro, het Braziliaanse leger, waar naast puur militaire afdelingen en divisies ook een historische divisie hangt. Deze divisie, de DPHCEX (onder bevel van Lt-Gen Eduardo Jose Barbosa) omvat een 40-tal forten, de historische dienst, de archieven en afdelingen voor conservering, restauratie en beheer van het erfgoed.

Het seminar was dan ook goed georganiseerd, met simultaanvertalingen, prima zaal voor de lezingen en discussie, boeiende sprekers (en een paar wat minder boeiend moet ik toegeven) en prachtige bezoeken aan vijf van de 10 forten in de regio rond Rio de Janeiro. Het werd me al snel duidelijk dat men in Brazilië meer dan voldoende geld heeft om al die forten (zo'n 100 over het hele land verspreid) te beheren, restaureren en onderhouden. Maar om ere dan vervolgens iets mee te doen in de zin van herbestemming en nieuw gebruik, daar was men nog niet echt mee bezig. Op Fort Leme deed men wat aan buurt-activiteiten, spinning, danssessies, fitness op het fort, maar niet echt voor een breed publiek. Na afloop van mijn lezing met voorbeelden van hergebruik als Fort aan de Nekkerweg (wellness), Fort Nieuwe Steeg (GEOFORT), Fort Voordorp (congres locatie), Fort Bakkerskil (wonen) en Kunstfort Vijfhuizen, leverde dat dan ook voer voor discussie op.



Een onverwacht maar zeer positieve uitkomst van het seminar is dat het er naar uitziet dat we in 2013 het 9e seminar in Nederland gaan organiseren. Na de start van deze bijeenkomsten in 2004 in Uruguay, zijn ze in acht jaar tijd uitgegroeid tot een breed gedragen expertmeeting in Latijns-Amerika (met deelnemers uit Chili, Paraguay, Uruguay, Mexico, Argentinië, Puerto Rico, Spanje, Portugal en dit jaar ook uit Nederland. Met de contacten die wij vanuit Nederland hebben, hopen we het seminar in 2013 verder te kunnen laten groeien met Noord-Amerika, Zuid-Afrika en diverse Europese landen. Eind november beslissen we, samen met de Hollandse Waterlinie, of het haalbaar is om "Holland 2013" tot locatie te maken.
 De belangrijkste les van Rio was misschien wel dat we in Naarden geen strand hebben! Want met een strand als de Copacabana naast je fort haal je vele tienduizenden bezoekers naar Naarden. Laat het zand dus maar aanrukken, Copa-naar-dena!

zaterdag 3 november 2012

De Grote Parade: Paradepaardje van het Vestingmuseum

Al een paar jaar proberen we in het Vestingmuseum een mooi evenement met re-enactment te organiseren. Voor wie het niet weet: re-enactment is een vorm van geschiedbeleving waarbij mensen proberen zich zo goed mogelijk in het verleden te verplaatsen. Ze trekken kleding uit de periode aan die ze aanspreekt, leven een dag of weekend op de manier die past bij die periode en proberen die beleving zo goed mogelijk over te brengen op het publiek dat vaak bij deze dagn van 'living history' aanwezig is. In veel gevallen gaat het bij re-enactment om groepen die een periode uit de militaire geschiedenis tot leven willen brengen. Zeker als ze met behoorlijke aantallen mensen zijn en divers in hun verschijningsvorm, kan dat een spectaculair plaatje opleveren. Zo zijn er nogal wat groepen die de Napoleontische tijd tot hun werkgebied rekenen. Met infanterie, cavalerie en artillerie van zowel de Fransen als de Geallieerden levert dat een mooi beeld op.



Helaas is het bastion van het Vestingmuseum iets te klein om complete veldslagen met cavalerie en manoeuvrerende infanterie neer te zetten, maar de kleinere schaal maakt juist dat het gewone leven van de soldaat weer heel dichtbij komt. Het idee van de Grote Parade is om uit de afgelopen 2.000 jaar militaire geschiedenis een dwarsdoorsnede aan tijdvakken en soldaten aan het publiek te laten zien. De afgelopen twee jaar lukte het maar mondjesmaat om die verscheidenheid naar Naarden te halen. Daar weer kon deze groep niet, dan weer die, of er was een sterfgeval waardoor een groep niet kon komen. Dit jaar lukte het wel en dat bracht het bastion helemaal tot leven! Van Romeinen via de Middeleeuwen en de Pruikentijd naar veel Napoleontische militairen. Onze eigen kanonniers uit 1900 en een groot detachement soldaten uit WO II maakten het plaatje af. De sfeer was geweldig, zowel onder de diverse soldaten als bij het publiek.

Wat is er mooier om te zien als een Romeins soldaat helpt bij het laden van een 12-ponder vestingkanon uit 1823 waarbij hij zijn kruitlading krijgt van een Britse soldaat uit 1944 en het commando "Vuren!" van een Middeleeuwse sergeant komt. Voor volgend jaar hebben we het plan om dan 'echt' een Grote Parade te houden aan het begin van deze dag vol levende geschiedenis. Dan marcheren we alle tijdperken, alle soldaten en kampvolgers door de eeuwenoude straatjes van de Vesting! Een fraai spektakel dat prima past in het 200-jarig jubileum van het Beleg van Naarden (1813 - 1814).



Mooier nog wel is misschien het aanbod van een koepel van re-enactmentgroepen die graag Naarden en het Vestingmuseum tot hun vestigingsplaats willen maken. Het karakter van de oude garnizoensstad binnen de vestingmuren past prima bij hun beeld van levende geschiedenis in een levend en levendig stadje. Als het museum op haar nieuwe locatie op Bastion Oranje zit, kunnen zij het bastion perfect tot leven brengen!

dinsdag 21 augustus 2012

Een sociaal bedrijf...........

De laatste maanden heeft het Vestingmuseum er een heel stel nieuwe vrijwilligers bijgekregen: een heuse collectiebeheerder (gediplomeerd!), een administratief medewerkster, een telefonist/klusjesman en recent een aankomend kassamedewerker. Nu is dat op zich niet zo heel bijzonder, gelukkig zijn er jaarlijks veel mensen die graag vrijwilliger bij ons willen worden. Gewoon om iets leuks om handen te hebben na het pensioen, om bij (onvrijwillige) werkeloosheid niet stil te blijven staan, om een zakcentje bij te verdienen als rondleider of kassamedewerker of om lekker met een boot door de grachten te kunnen varen en een enkeling om met vuur te kunnen spelen!
 Die laatste categorie zijn de kanonniers die regelmatig de 12-ponder vestingkanonnen afvuren bij de publieksdemonstraties.



Alle mensen die in de eerste opsomming genoemd zijn, komen via reïntegratiebedrijven of hun eigen behoefte na een moeilijke periode van ziekte weer de draad op te pakken. En dat pakt, voor zover ik dat kan beoordelen, goed uit voor beide partijen. Wij krijgen er een stel zeer gemotiveerde medewerkers bij, zij krijgen leuk en zinvol werk, net in de luwte van de samenleving. Drie halve dagen per week omdat hele dagen te vermoeiend zijn na een herseninfarct, één dag in de week aan de collectie werken omdat meer teveel vraagt van het lijf, voorzichtig beginnen op rustige dagen in het museum omdat je na een burn-out nog geen hectiek aankan.



Voorbeelden van wat kan bij ons in het Vestingmuseum. Tegelijk is ons motto "Een sociaal bedrijf, maar geen sociale werkplaats". We willen graag een plek zijn waar mensen weer aan de slag kunnen, waar ze zich kunnen ontplooien en misschien ook wel dingen gaan doen die ze niet eerder dachten aan te kunnen. Dat heeft echter zijn beperkingen. Wij kunnen maar beperkt begeleiding of ondersteuning bieden en al helemaal niet in professionele zin. Daar hebben we de mensen, het geld en de tijd niet voor. Het Vestingmuseum moet in belangrijke mate haar eigen broek ophouden en dat wil zeggen dat we gewoon ook een bedrijf zijn waar ondernomen moet worden. We moeten dus net even iets meer aan deze medewerkers overhouden dan ze ons 'kosten'. Hoewel, voor de vaste staf is het ook best motiverend om zo iets extra's te kunnen doen.