Erfgoed en Emotie
Twaalf jaar geleden reed ik
voor het eerst de vesting Naarden binnen, een vestingstad waar ik
natuurlijk van gehoord had, maar (ohhhh schande!) nooit had bezocht.
De eerste reactie bij het
oversteken van de brug bij de Helfrichweg en het in zicht komen van
de vesting was “Woow! Wat gaaf!”.
Groen, massief, machtig, met
brede gracht ervoor, vredig met een onderhuidse kracht en de slanke
kerktoren die boven de vestingwallen uitsteekt en voor diepte zorgt.
Die overweldigende indruk, dat
gevoel, is eigenlijk nooit meer weggegaan, bleef altijd terugkomen
als ik de vesting binnenreed. Vooral in de vroege ochtend is dat
gevoel het sterkst, de stilte die dan op de vesting heerst, het
effect van de vesting als een slapende reus is dan maximaal.
–-----------------------------------------------------------------------------------
Deze gevoelens die monumentaal
erfgoed blijkbaar oproept zijn interessant, maar in mijn ogen vreemd
genoeg veel beperkter dan bij andere cultuuruitingen.
Zo
roepen in kunst en cultuur, van high culture met cantates van Bach
tot low culture met de tranentrekkers van André Hazes, van een
gemoedelijk werkje van Schelfhout tot een verontrustend kunstwerk met
ingewanden van de Chinese kunstenaar Cao Hui en van romans als
American Psycho tot De Avonden van Reve gevoelens op van verbazing,
ontroering, betovering, ontspanning, maar ook walging, ongerustheid,
melancholie en verontwaardiging. Een veel rijker pallet dan cultureel
erfgoed heeft, uitzonderingen daargelaten. Bij
monumentaal erfgoed moge het duidelijk zijn dat het Anne Frankhuis
andere gevoelens losmaakt dan de molens van Kinderdijk of het Paleis
op de Dam.
De potentie van gevoelens die
erfgoed los kan maken is veel groter dan waar in de praktijk mee
gewerkt wordt. Naast de eerste reactie die een gebouw of monument
oproept, zou het de moeite waard zijn te onderzoeken wat er nog meer
mogelijk zou zijn. Welke gevoelens zitten erin? Welke zou je willen
oproepen? Welke gevoelens kan je waarvoor gebruiken? En zijn er zaken
die je per se niet wil oproepen bij je publiek?
Waarom werken we niet bewuster
met het gevoel wat ons erfgoed ons geeft? Zijn we misschien teveel
inhoudelijk betrokken? Willen we teveel het verhaal vertellen, de
feiten weergeven van het gebouw of de locatie?
En dan hebben we in onze
monumenten vaak ook te maken met de “nostalgie factor”, die goeie
ouwe tijd die alles verzacht en hooguit amusant en verwonderlijk
maakt waar het vroeger vies, ongemakkelijk en oncomfortabel was. Leuk
zo'n geëmailleerde badkuip, tot je weet dat je als bediende emmer
aan emmer water warm moest stoken boven het vuur en dan elke emmer de
trap op dragen naar het bad van de heer des huizes en na afloop al
het vuile water weer naar beneden. Alles behalve nostalgisch.
Het stoere kasteel met ridders
en jonkvrouwen, het machtige fort met de zware kanonnen en
heldhaftige soldaten, het imposante paleis met fraai geklede koningen
en prinsessen.
We maken daar ook graag
gebruik van, ons publiek is hier tenslotte voor een “leuk dagje
uit”. Niemand zit te wachten op verontrustende gevoelens na een
bezoek aan zo'n prachtige plek als de vesting Naarden, Paleis het Loo
of een imposant jachtslot. Toch?
Het gevaar is echter dat we
daarin allemaal op elkaar lijken: fort – kasteel – vesting –
paleis met uitwisselbare romantiek, stoerheid, grandeur en een
vleugje avontuur.
En dat terwijl er zoveel meer
emoties en gevoelens aan de monumenten verbonden kunnen worden: de
wanhoop van een commandant in zijn fort, de eenzaamheid van een
koning in zijn paleis, de minachting die een prinses voelt voor haar
bedienden, de heimwee van soldaten in de kazerne.
Ik wil graag die andere
emoties verbonden aan monumenten gaan gebruiken, zonder de feitelijke
juistheid van het verhaal uit het oog te verliezen. Het moet geen
karikatuur of freakshow worden en de scheidslijn tussen een attractie
als de Amsterdam Dungeons en een serieus museum kan dun zijn (hoe
succesvol en professioneel Amsterdam Dungeons ook zijn!).
Dat hangt ogenschijnlijk samen
met de doelstellingen van de opdrachtgever: informatief, leuk en
gezellig spreekt meer gezinnen aan en verkoopt waarschijnlijk meer
kopjes koffie met appeltaart!
Althans,
daar zijn erfgoedinstellingen beducht voor, niemand uitsluiten voor
maximale bezoekersaantallen.
Als
je wat dieper kijkt is het wel wonderlijk: waarom zijn er zoveel
gerespecteerde genres in film en literatuur die zich zaken kunnen
veroorloven waar geen museum zich aan zou wagen? De landingsscene in
Normandië van Saving Private Ryan waarin je je werkelijk op het
slagveld waant en de soldaten gruwelijk sneuvelen. Een boek als
Gelukkige
Slaven
van Tom Lanooye wat is genomineerd voor de beste roman met literaire
sex (whatever that may be) of een naargeestige roman als De
Avonden.
In menig oorlogsmuseum valt
geen dooie Duitser te ontwaren, laat staan één zonder ledematen,
verbrand in een vliegtuig of wat er van hem is overgebleven nadat er
een tank overheen is gereden.
Meestal staat de techniek
centraal, de wapens, de uniformen, maar niet het menselijk lijden.
Het Vestingmuseum geeft al een
waarschuwing voor de geluiden van een WOI bombardement in kazemat W
(alleen geluid, geen beeld, geur of gevoel) en dan nog komen er wel
eens klachten.
De psychologische thriller is
een populair genre in film en romanvorm, maar ik ken geen beklemmend
Nederlands museum die deze stijlvorm systematisch hanteert om een
verhalend doel te bereiken.
In Washington heeft het
Holocaust Museum daar wel elementen van gebruikt. Zo moet je 's
ochtends op een plein wachten voor gratis entree en mag je
uiteindelijk naar binnen door in een rij te gaan staan langs de muur
van het museum. Na binnenkomst zie je een vrijwel identieke foto van
Joden die in de rij staan in een concentratiekamp met zo'n zelfde
muur met booglampen erboven. Jij hebt je net als hen willoos in de
rij laten zetten! Heel simpel, heel effectief en heel beklemmend.
Wat is dat met onze
monumenten? We willen teveel uitleggen, vertellen, vinden onszelf
niet serieus genoeg als we niet serieus zijn.
Maar waarom niet? Je kan
kotsend uit de bioscoop komen na een naargeestige horrorfilm en toch
genoten hebben van die film of hebben moeten huilen na het lezen van
een ontroerend boek en het toch prachtig hebben gevonden. Die emoties
en gevoelens zouden we in monumenten en musea ook moeten durven
toepassen.
De afgelopen jaren heb ik veel
geleerd van de paar experimentele belevingsvormen waaraan ik heb
meegedaan, soms ook in of met het Vestingmuseum: een Megagame waarin
je een dag lang vanuit een soort commandopost met zo'n honderd man
het commando voert over twee elkaar bestrijdende legers. Onder enorme
tijdsdruk beslissingen moeten nemen over leven en dood, communicatie
en miscommunicatie met je mede bevelhebbers, politieke druk van
bovenaf voor snelle, onrealistische resultaten. Toen gespeeld in een
fantasieloos zalencentrum, maar dit perfect passen in een fort of
kazerne en elkaar zo wederzijds versterken.
De Masterclass van de Society
of Play liet zien dat je fantastisch goed morele dilemma's in
spelvorm in erfgoed kan onderzoeken. Binnen vijf minuten na begin van
het spel “De Politie” dacht ik al “wat goed! Dit is echt niet
leuk!” omdat de setting en het scenario maakten dat je voelde welke
onmogelijke keuzes er gemaakt moesten worden en er geen goed of fout
bestond. Geen boek, film of tentoonstelling had in zo'n korte tijd
zo'n effect kunnen bereiken.
Een
andere was de Auditieve vertelling van Wouter de Roo over Nederland
en Nederlanders in WOI, vorig najaar gespeeld in een Genieloods in
Naarden. Dit participerend hoorspel nam de deelnemers mee in de
ontzetting, eenzaamheid en angst van de Grote Oorlog. Één uur
participatietheater, gespeeld in passend erfgoed.
Er is veel mogelijk met
erfgoed. We moeten het alleen durven en durven ons publiek dit te
laten ondergaan.



