Kort geleden kreeg ik een tot nadenken stemmende mail van een bezoeker over het fenomeen van het presenteren van oorlog in het museum.
Zij had zich geërgerd aan het ogenschijnlijke gemak waarmee we in het vestingmuseum oorlogsgeweld presenteren; geschiedenis, wapens en militaire techniek als vrij droge feiten tentoonstellen.
Dat is een probleem waar alle militaire musea mee worstelen.
Voor het Vestingmuseum gaat dat zeer zeker ook op. De vraag is, hoe eerlijk ben je naar je publiek toe? Breng je die onderdelen uit de geschiedenis in hun (soms) volle gruwelijkheid, dan loop je de kans dat het publiek naar en misselijk het museum verlaat.
Mag je dat je publiek aandoen? Meestal zijn het toch mensen die gewoon leuk een dagje uit zijn. Aan de andere kant, door het alleen maar bij de 'leuke' en 'mooie' kanten van het krijgsbedrijf te houden, schep je een vals beeld van de geschiedenis.
'Leuk' een kanon afschieten als demonstratie, maar daarbij niet vertellen wat zo'n kanonskogel met het menselijk lichaam deed? Een geweer met bajonet tentoonstellen, zonder toelichting op de verwondingen die een man tot man gevecht met koud staal oplevert?
Veel militaire musea blinken uit in het tonen van de techniek: zalen vol tanks, vliegtuigen, geweren, sabels en andere wapens en uniformen. Ze verhalen weliswaar wel van strijd, lijden en dood, vaak sneeuwt dat toch wat onder bij de hoeveelheid materieel erfgoed.
Hoe kan het dat we als publiek in staat zijn naar films als "Schindlers List" te kijken? Met alle gruwelen van de Holocaust. Of naar "Saving Private Ryan"? Met het bloedbad op D-Day in Normandië in full-colour op het filmdoek. Waarom lezen we boeken waarin alle details beeldend beschreven worden?
Zit dat verschil in de filmkeuring? Of in de keuzevrijheid om zo'n film niet te gaan bekijken en zo'n boek niet te lezen? Maar je hoeft toch ook niet naar een museum toe (behalve met school en dan zou juist het hele, complete, verhaal voorop moeten staan), dat is een vrije keuze net als het gaan naar de film of lezen van een boek.
Moeten musea vooral leuk en gezellig blijven?
Voor het nieuwe Vestingmuseum dat we in de periode 2010 - 2014 verwachten te ontwikkelen is het goed die vragen te stellen en de dilemma's van vertellen en presenteren onder de loep te nemen.
Gisteren was ik daarvoor in Ieper in het "In Flanders Fields Museum" dat bekend staat om de indringende manier waarop men de Eerste Wereldoorlog presenteert. Ik moet zeggen dat het mij wat tegenviel qua inleving en gevoel voor de mannen in de loopgraven. Veel teksten en foto's, vitrines met objecten, behoorlijke traditioneel qua tentoonstellen.
Wat op mij het meeste indruk maakte was een opstelling van gasmaskers waar om de paar minuten gas (rook) omheen opsteeg terwijl gedichten van Wilfried Owen en John McCrae werden voorgedragen:
'Gas! GAS! werd er gebruld. Als de donder rukten we
Die rotmaskers net op tijd over ons hoofd.
Een kreeg het niet voor elkaar
En krijste vertwijfeld als een dier in nood.
Vaag zag ik door mijn beslagen glazen, in een dichte waas
Als onder water in een snotgroene zee, hoe hij verzoop.
(Wilfried Owen: Dulce et decorum est)
De suggestie is soms sterker dan het werkelijke beeld.
Heel sterk hierin is het Museum Het Dolhuys in Haarlem, museum van de psychiatrie. Een mengeling van traditionele opstellingen met objecten en materialen uit de geschiedenis van de psychiatrie met de verbeelding van de levenswereld van de psychiatrische patiënt.
Het Dolhuys is geen 'leuk' museum, wel ontroerend, informatief en reflectief. Een museum dat je bijblijft.
Dat zou wel eens de richting van het verhaal van oorlog en vrede door de eeuwen heen in een vestingstadje als Naarden kunnen zijn..........