Vorige week de verontrustende documentaire "De Onrendabelen" van Marcel van Dam gezien en afgelopen vrijdag het vervolg in de uitzending "Eigen schuld, dikke bult" met Paul Witteman en een viertal deskundigen op het gebied van (sociale) bekwaamheden, hersenontwikkeling en werk & inkomen.
Verontrustend omdat ik me blijkbaar onvoldoende realiseerde dat er zoveel mensen buiten de boot vallen. En niet alleen buiten de boot van werk, ook buiten de boot van meetellen voor de samenleving. Verontrustend ook omdat ik vanuit het museum weet dat er veel werkzaamheden zijn die 'de Onrendabelen' voor ons museum zouden kunnen uitvoeren en waarschijnlijk ook voor veel andere cultureel- en sociaal-maatschappelijke instellingen.
Bij het weer functioneel maken van monumenten die ongeschikt of te kwetsbaar zijn voor normaal economisch gebruik (zoals de vestingwerken van Naarden)is een mooie term in gebruik: maatschappelijk rendement.
Daarmee bedoelen we dat de investeringen die het Rijk jaarlijks in onderhoud en beheer van bijvoorbeeld Naarden Vesting steekt niet in geldelijke opbrengsten (huur) terugkeren, maar wel in schoonheid, cultuurbehoud en cultuurbeleving voor bezoekers aan de vesting. De belastingbetaler krijgt dat maatschappelijk rendement terug voor zijn belastingeuro's.
Dat principe zouden we ook van toepassing kunnen verklaren op de problematiek van 'de Onrendabelen'. Zoals een van de experts in het programma van Paul Witteman al aangaf, vroeger liepen er in bedrijven en instellingen een aantal mensen rond om koffie rond te brengen, de post, kopieerwerk te doen, kleine klusjes en nog zo wat van die dingen die het werk gemakkelijker en soepeler maken. Deze mensen dragen in economisch rendement niet direct bij aan het resultaat van een bedrijf, hun rendement zit in werkplezier, zowel van henzelf als van andere medewerkers, saamhorigheid en een gevoel van meedoen in de samenleving.
Bovendien vraag ik me af of de geringe extra kosten die 'de onrendabelen' met zich meebrengen als ze betaald kunnen gaan werken, niet terugverdiend worden op andere terreinen. Een geringer beroep op de gezondheidszorg bijvoorbeeld, een mens die zich nuttig en gewenst voelt is immers minder vaak en minder ingrijpend ziek. En ook door een lager beroep op sociale voorzieningen en diensten.
De meerkosten van een extra bedrag bovenop de hoogte van een uitkering is dan snel terugverdiend lijkt me.
Helaas zijn al deze functies verdwenen uit bedrijven en instellingen vanwege efficiency maatregelen. Toen ik bij het Luchtmachtmuseum werkte in de jaren '90 bestond dit nog wel. Een aantal militairen mocht de laatste jaren voor het functioneel-leeftijd-ontslag en na een reorganisatie waarin hun baan was verdwenen, uitdienen in het museum, een prima maatregel die het gevoel van eigenwaarde van de betrokkenen zeker goed deed, een soort bedankje voor jaren trouwe dienst vormde en menigmaal niets afdeed aan het enthousiasme en de inzet van die medewerkers. Integendeel, velen bloeiden weer op en vonden hun plek in een geheel andere functie dan welke ze jarenlang uitgeoefend hadden. Ik vraag me overigens af hoe dat beeld er nu binnen de Krijgsmacht uitziet.
Zou de museumwereld niet een sector kunnen zijn die 'de Onrendabelen' rendement gaat laten opleveren? Maatschappelijk rendement dan wel. Als 'maatschappelijk rendabelen', mensen die in het economisch verkeer wellicht niet meekunnen, maar die zich op andere vlakken en vakken prima zouden kunnen ontplooien, zowel tot (werk)plezier van henzelf als in hun bijdrage aan onze samenleving.
De Resolutie van Middelburg zoals met enthousiasme ontvangen tijdens het jaarlijkse Museumcongres, spreekt over "De Nederlandse musea gaan proactief de gemeenschap en de politiek benaderen om, vanuit onze kerntaken en met respect
voor onze authenticiteit, plannen en programma’s te ontwikkelen ter ondersteuning van sociaal-maatschappelijke opdrachten en projecten"
Daar sluit een visie op hoe musea samen met de zwakkeren in de samenleving erfgoed kunnen beheren goed aan. En mooi genoeg niet alleen vanuit eenrichtingverkeer van een vorm van hulpverlening, nee vanuit wederkerigheid die ook inzet van de andere kant vraagt, inzet op een verantwoord niveau en in een passend tempo.
Musea, museumvereniging, overheid, sla de handen ineen en kijk of we samen met 'de Onrendabelen' voor maatschappelijk rendement kunnen zorgen.
zondag 29 november 2009
donderdag 19 november 2009
Fluisteren en vragen stellen
Vandaag een blog over een onderwerp dat (gelukkig) ver van het museumwerk afstaat, althans in het Nederland van vandaag.
Het onderwerp staat dan wel ver van het museum af, het roept wel op of een museum niet veel indringender vragen zou moeten stellen. Musea zijn bij uitstek plaatsen waar je zaken kan bekijken, waar zaken uitgelegd en toegelicht worden, maar of het ook plaatsen zijn waar heel expliciet vragen gesteld worden............?
De aanleiding ligt in het lezen van het boek "The Whisperers, Private Life in Stalin's Russia" van Orlando Figes, een soms letterlijk adembenemend boek over hoe gewone Russen overleefden (en heel vaak ook niet) in het Rusland van Stalin.
Verhaal na verhaal, voorbeeld na voorbeeld laat zien hoe het communistisch ideaal in de jaren na de geslaagde revolutie van 1917 naar de achtergrond verdwijnt en je, zeker na de machtsovername door Stalin, Rusland in een bedompt land van wantrouwen en intimidatie ziet veranderen. Om Rusland in die periode een politiestaat te noemen doet het systeem van angst en intimidatie tekort. Ik geloof dat zelfs het Nazibewind in Duitsland niet zo'n complete controle over haar burgers had. Zonder de gruwelen van de Gestapo te willen bagatelliseren, het Rusland van eind jaren '30 was zo doordesemd van afluisteren, informeren, spioneren, beschuldigen en bestraffen van Sovietburgers door andere Sovietburgers dat het nauwelijks is voor te stellen.
De geheime politie (NKVD) speelde een grote rol, maar toen het mechanisme van aangeven, beschuldigen, intimideren en verdachtmaken eenmaal goed was gaan rollen, werd het een zichzelf voedend monster. Er niet aan meedoen kon in veel gevallen betekenen dat jij blijkbaar niet oplettend genoeg was, dat jij niet bereid was spionnen en verraders, die wel in je omgeving actief moesten zijn, op te sporen en aan te geven. En dan werd je vanwege een gebrek aan activisme zelf opgepakt en afgevoerd. Damned if you do and damned if you don't, welke kant je ook opspringt, ze pakken je altijd. Ook en zelfs tegen je familie en kinderen kon je niet meer zeggen wat je dacht, omdat ze bewust of onbewust jou opmerkingen door konden geven of omdat de muren in Soviet communale woningen papierdun waren en je buren bereid waren je aan te geven om jouw, iets grotere appartement over te nemen. De Fluisteraars en zelfs fluisteren was soms al te luidruchtig. Honderdduizenden verdwenen in de Gulag, de strafkampen, honderduizenden werden vermoord en de Sovietpsyche was zodanig dat velen dachten dat alleen in hun geval een fout gemaakt was, al die anderen hadden blijkbaar iets gedaan waarvoor ze gestraft moesten worden.
Tot in de jaren '90 van de 20e eeuw durfden Russen hun kinderen en kleinkinderen niet te vertellen dat zij in een kamp hadden gezeten of zelf kinderen waren uit een zogenaamd anti-soviet gezin (Kulakken, Trotskyisten, Bourgeoisie), dat kon gevaarlijk zijn en hoewel het Sovietregime al jaren was verdwenen, je weet maar nooit of het niet terug zou komen............
Adembenemend en mindboggeling, ik schreef het al. Als je dat dan vergelijkt met de samenleving waarin wij nu leven, is dit een absolute hemel op aarde. Het begint pas voorstelbaar te worden als je je gaat voorstellen dat je je eigen familie niet kan vertellen dat je een hekel hebt aan Jan-Peter Balkenende, de maandenlange opbreking van je straat een brevet van onvermogen van de gemeente is, zelfs niet dat het Nederlandse onderwijssysteem beroerd is. Alles, zelfs de geringste kritiek of het kleinste ongenoegen kan zich tegen je keren.
En wat heeft een museum daarmee te maken? Zouden musea niet veel vaker vragen moeten stellen aan hun bezoekers? Zeker musea als het Vestingmuseum die oorlog en vrede tot onderwerp hebben, maar ook andere musea voor wie onze samenleving een gegeven is waar je (schijnbaar) nauwelijks over hoeft na te denken.
Laat niet alleen zien hoe het vroeger was, leg niet alleen uit waarom mensen toen bepaalde dingen deden, zet je bezoeker ook voor het blok, stel hem voor (morele) dilemma's die hem aan het denken zetten over fundamentele waarden.
Ik weet, het klinkt allemaal erg hoogdravend, maar ik ben ervan overtuigd dat je met herkenbare situaties dicht bij je publiek kan komen en hen die vragen kan stellen. "The Whisperers" staat vol met alledaagse, bijna banale, maar angstaanjagende voorbeelden. In zo'n situatie willen we niet terecht komen en musea kunnen daar wellicht een klein steentje aan bijdragen.
Het onderwerp staat dan wel ver van het museum af, het roept wel op of een museum niet veel indringender vragen zou moeten stellen. Musea zijn bij uitstek plaatsen waar je zaken kan bekijken, waar zaken uitgelegd en toegelicht worden, maar of het ook plaatsen zijn waar heel expliciet vragen gesteld worden............?
De aanleiding ligt in het lezen van het boek "The Whisperers, Private Life in Stalin's Russia" van Orlando Figes, een soms letterlijk adembenemend boek over hoe gewone Russen overleefden (en heel vaak ook niet) in het Rusland van Stalin.
Verhaal na verhaal, voorbeeld na voorbeeld laat zien hoe het communistisch ideaal in de jaren na de geslaagde revolutie van 1917 naar de achtergrond verdwijnt en je, zeker na de machtsovername door Stalin, Rusland in een bedompt land van wantrouwen en intimidatie ziet veranderen. Om Rusland in die periode een politiestaat te noemen doet het systeem van angst en intimidatie tekort. Ik geloof dat zelfs het Nazibewind in Duitsland niet zo'n complete controle over haar burgers had. Zonder de gruwelen van de Gestapo te willen bagatelliseren, het Rusland van eind jaren '30 was zo doordesemd van afluisteren, informeren, spioneren, beschuldigen en bestraffen van Sovietburgers door andere Sovietburgers dat het nauwelijks is voor te stellen.
De geheime politie (NKVD) speelde een grote rol, maar toen het mechanisme van aangeven, beschuldigen, intimideren en verdachtmaken eenmaal goed was gaan rollen, werd het een zichzelf voedend monster. Er niet aan meedoen kon in veel gevallen betekenen dat jij blijkbaar niet oplettend genoeg was, dat jij niet bereid was spionnen en verraders, die wel in je omgeving actief moesten zijn, op te sporen en aan te geven. En dan werd je vanwege een gebrek aan activisme zelf opgepakt en afgevoerd. Damned if you do and damned if you don't, welke kant je ook opspringt, ze pakken je altijd. Ook en zelfs tegen je familie en kinderen kon je niet meer zeggen wat je dacht, omdat ze bewust of onbewust jou opmerkingen door konden geven of omdat de muren in Soviet communale woningen papierdun waren en je buren bereid waren je aan te geven om jouw, iets grotere appartement over te nemen. De Fluisteraars en zelfs fluisteren was soms al te luidruchtig. Honderdduizenden verdwenen in de Gulag, de strafkampen, honderduizenden werden vermoord en de Sovietpsyche was zodanig dat velen dachten dat alleen in hun geval een fout gemaakt was, al die anderen hadden blijkbaar iets gedaan waarvoor ze gestraft moesten worden.
Tot in de jaren '90 van de 20e eeuw durfden Russen hun kinderen en kleinkinderen niet te vertellen dat zij in een kamp hadden gezeten of zelf kinderen waren uit een zogenaamd anti-soviet gezin (Kulakken, Trotskyisten, Bourgeoisie), dat kon gevaarlijk zijn en hoewel het Sovietregime al jaren was verdwenen, je weet maar nooit of het niet terug zou komen............
Adembenemend en mindboggeling, ik schreef het al. Als je dat dan vergelijkt met de samenleving waarin wij nu leven, is dit een absolute hemel op aarde. Het begint pas voorstelbaar te worden als je je gaat voorstellen dat je je eigen familie niet kan vertellen dat je een hekel hebt aan Jan-Peter Balkenende, de maandenlange opbreking van je straat een brevet van onvermogen van de gemeente is, zelfs niet dat het Nederlandse onderwijssysteem beroerd is. Alles, zelfs de geringste kritiek of het kleinste ongenoegen kan zich tegen je keren.
En wat heeft een museum daarmee te maken? Zouden musea niet veel vaker vragen moeten stellen aan hun bezoekers? Zeker musea als het Vestingmuseum die oorlog en vrede tot onderwerp hebben, maar ook andere musea voor wie onze samenleving een gegeven is waar je (schijnbaar) nauwelijks over hoeft na te denken.
Laat niet alleen zien hoe het vroeger was, leg niet alleen uit waarom mensen toen bepaalde dingen deden, zet je bezoeker ook voor het blok, stel hem voor (morele) dilemma's die hem aan het denken zetten over fundamentele waarden.
Ik weet, het klinkt allemaal erg hoogdravend, maar ik ben ervan overtuigd dat je met herkenbare situaties dicht bij je publiek kan komen en hen die vragen kan stellen. "The Whisperers" staat vol met alledaagse, bijna banale, maar angstaanjagende voorbeelden. In zo'n situatie willen we niet terecht komen en musea kunnen daar wellicht een klein steentje aan bijdragen.
Labels:
fluisteren,
musea,
stalin,
vragen stellen,
whisperers
zondag 8 november 2009
Een advertentie verkopen.....
Misschien wel de vervelendste telefoontjes die je kan krijgen. Of ik neem ze direct op, maar eigenlijk erger nog is als ik de collega's al hoor zeggen "daar ga ik niet over, ik zal u even doorverbinden", dan weet ik al wel wat er aan zit te komen.
Ze beginnen meestal met een heel verhaal over waarom hun blad of magazine zo'n uniek platform is om je publiek te bereiken en dan weet ik het meestal al wel. Vaak onderbreek ik ze dan al in hun verhaal om te zeggen dat we een klein museum zijn met weinig budget voor dit soort advertenties (de enige keer dat ik blij ben dat we een klein museum zijn en weinig geld hebben).
Soms slaag ik erin ze dan al af te poeieren, vaak kost dat nog wat meer moeite, je wilt het tenslotte een beetje beleefd houden, nietwaar.
Één verkoper is wel erg vasthoudend. We hebben de afgelopen jaren een paar keer in zijn gids geadverteerd, dat was niet duur en het leek een doelgroep te bereiken die interessant voor ons kon zijn (Amsterdammers op zoek naar een uitje in het weekend). Dit voorjaar had ik besloten die advertentie niet meer te gaan plaatsen, postcode onderzoek gaf onvoldoende respons uit Amsterdam aan en hoewel het advertentiebedrag niet hoog was, kan ik het maar één keer uitgeven. De verkoper, Peter genaamd, nam daar geen genoegen mee. "Het is niet duur", "Je bereikt er een unieke doelgroep mee", "We werken nu al een paar jaar samen" om tenslotte naar "Je gaat het me toch niet maken om te stoppen?!" en "Dan bel ik van het najaar weer voor de volgende uitgave" te gaan. Ik werd langzamerhand steeds geagiteerder in mijn weigering nog een advertentie te plaatsen en mijn uitleg dat het uiteindelijk toch mijn beslissing is om te adverteren of niet en gooide de telefoon er tenslotte op met een "Ik ben toch niet verplicht te adverteren!".
Afgelopen week had 'Peter' blijkbaar zo'n bord voor z'n kop dat hij doodleuk weer belde; "Met Peter van Uitgeverij M., even over de plaatsing van de voorjaarsadvertentie 2010" waarop ik hem zei dat ik toch dacht duidelijk te zijn geweest en GEEN advertentie meer te willen plaatsen. Hij begon gewoon weer zijn hele litanie aan argumenten en ouwe jongens krentenbrood verhalen af te steken.
Het is tot nu toe de enige keer in het museum geweest dat ik schreeuwend "Ik heb toch NEE gezegd!!!" de telefoon neersmeet.
Overigens ook wel weer lekker om een keer te kunnen doen hoor ;-)
Ze beginnen meestal met een heel verhaal over waarom hun blad of magazine zo'n uniek platform is om je publiek te bereiken en dan weet ik het meestal al wel. Vaak onderbreek ik ze dan al in hun verhaal om te zeggen dat we een klein museum zijn met weinig budget voor dit soort advertenties (de enige keer dat ik blij ben dat we een klein museum zijn en weinig geld hebben).
Soms slaag ik erin ze dan al af te poeieren, vaak kost dat nog wat meer moeite, je wilt het tenslotte een beetje beleefd houden, nietwaar.
Één verkoper is wel erg vasthoudend. We hebben de afgelopen jaren een paar keer in zijn gids geadverteerd, dat was niet duur en het leek een doelgroep te bereiken die interessant voor ons kon zijn (Amsterdammers op zoek naar een uitje in het weekend). Dit voorjaar had ik besloten die advertentie niet meer te gaan plaatsen, postcode onderzoek gaf onvoldoende respons uit Amsterdam aan en hoewel het advertentiebedrag niet hoog was, kan ik het maar één keer uitgeven. De verkoper, Peter genaamd, nam daar geen genoegen mee. "Het is niet duur", "Je bereikt er een unieke doelgroep mee", "We werken nu al een paar jaar samen" om tenslotte naar "Je gaat het me toch niet maken om te stoppen?!" en "Dan bel ik van het najaar weer voor de volgende uitgave" te gaan. Ik werd langzamerhand steeds geagiteerder in mijn weigering nog een advertentie te plaatsen en mijn uitleg dat het uiteindelijk toch mijn beslissing is om te adverteren of niet en gooide de telefoon er tenslotte op met een "Ik ben toch niet verplicht te adverteren!".
Afgelopen week had 'Peter' blijkbaar zo'n bord voor z'n kop dat hij doodleuk weer belde; "Met Peter van Uitgeverij M., even over de plaatsing van de voorjaarsadvertentie 2010" waarop ik hem zei dat ik toch dacht duidelijk te zijn geweest en GEEN advertentie meer te willen plaatsen. Hij begon gewoon weer zijn hele litanie aan argumenten en ouwe jongens krentenbrood verhalen af te steken.
Het is tot nu toe de enige keer in het museum geweest dat ik schreeuwend "Ik heb toch NEE gezegd!!!" de telefoon neersmeet.
Overigens ook wel weer lekker om een keer te kunnen doen hoor ;-)
donderdag 5 november 2009
In de keuken van een ander
Er ploffen zoveel uitnodigingen op je (digitale) deurmat, er is soms geen beginnen aan, wil je ook nog wat werk uit je handen laten komen.
De uitnodiging voor de bijeenkomst van vanmorgen heb ik dan ook lang in het postvak "in" laten zitten, maar ik ben erg blij er toch op in gegaan te zijn. Een kijkje achter de schermen van het Verkade Paviljoen in het Zaans Museum. Opdrachtgever Fokelien Renckens van het museum en makers (ACT2 en IJsfontein) van dit stuk interactieve bedrijfsgeschiedenis boden een aantal collega's de gelegenheid te horen en te zien waarom bepaalde keuzes gemaakt zijn, waar concessies zijn gedaan, hoe het paviljoen in de rest van het museum past, maar ook om te horen wat wij ervan vonden.
Voor wie nog niet geweest is: hier krijg je een goede indruk, maar ruiken, spelen en proeven (helaas alleen in de museumwinkel/museumcafé) doet veel meer!
Ik was er een maand of twee geleden met vriendin en kinderen (8, 12 en 14) geweest en kende het Paviljoen en de interactieve presentatie dus al. Wat nu zo leuk was, was om te horen of de ervaringen die wij van ons bezoek hadden meegenomen, overeen kwamen met de uitgangspunten en visie van het museum en de makers.
Uiteraard bleek dat natuurlijk deels wel en deels ook niet zo te zijn.
Sommige dingen vallen je zelfs helemaal niet op, tot ze uitgelegd worden en dan kan je ze niet meer uit je systeem krijgen tijdens het bezoek! Zo vertelde Cas Verholt van ACT2 dat de meisjes van Verkade in de tijd dat er nog geen radio op het werk was, samen operettes zongen, op het ritme van de koekjesmachines. ACT2 en IJsfontein
hebben hieruit acht muziekstukken laten componeren van vier minuten elk, ook op basis van het ritme van de machines. Dat was me bij het eerste bezoek helemaal niet opgevallen en nu hoorde ik ze telkens weer.
Grappig ook om te merken dat een van de kritiekpunten van de kinderen op het Paviljoen ("het is wat beperkt", "we waren er al snel doorheen") nu precies de bedoeling van het museum bleek te zijn, namenlijk niet meer dan 30 minuten omdat dat de tijd is die buitenlandse bezoekers aan de naastgelegen Zaanse Schans hebben voor een bezoek aan het museum!
Minstens zo goed als het bezoek aan plus uitleg in het Paviljoen was de discussie na afloop. Moeten we niet uitkijken dat we als musea niet teveel voor de gimmick gaan? Maken al die interactieve 'spelletjes' je museum niet tot een veredelde speeltuin, alleen nog maar leuk voor kinderen? De techniek vanwege de beschikbaarheid gebruiken? Wat doet zo'n Paviljoen met de waardering voor de rest van je (nog) niet zo interactieve museum? Dwingt zo'n eerste stap je niet tot het aanpakken van de rest van de exposities? Met oa. alle personele en financiële gevolgen van dien.
Ik geloof dat de verwachtingspatronen van bezoekers van musea toch al (onherroepelijk) aan het veranderen zijn onder invloed van wat het Spoorwegmuseum, Beeld en Geluid en anderen hebben neergezet. Die interactiviteit en beleving is langzamerhand de maat der dingen geworden.
Helaas genoeg doe je daar niet alle doelgroepen een plezier mee denk ik. Zo zou ik mijn vader niet graag meenemen naar Beeld en Geluid, hoewel hij liefhebber is van historisch beeld en geluidsmateriaal. Hij zou binnen vijf minuten gillend wegrennen vanwege het lawaai en de lichteffecten.
Nu weet ik wel dat je het niet iedereen naar de zin kan maken en dat je keuzes maken welke doelgroep je prioriteit wilt geven, voor mij zou het meemaken van beleving en activiteiten in het nieuwe Vestingmuseum een keuze op zich moeten zijn. Je kan je laten onderdompelen in het verleden, maar moet het ook afstandelijker, neutraler tot je kunnen nemen.
De lessen van vandaag voor mij zijn duidelijk dat de techniek ondergeschikt moet zijn aan de boodschap, het verhaal en de objecten van het museum (in het Vestingmuseum zijn gebouwen en terreinen de belangrijkste en verhalende objecten).
Techniek mag ook niet zichtbaar aanwezig zijn. Voor het publiek moet de interactive op onzichtbare manier een stukje magie aan het bezoek toevoegen.
En bij voorkeur is een interactieve opstelling gemaakt om met meer mensen te spelen of te doen. Je gaat vrijwel nooit alleen naar een museum.
Overigens doet het Zaans Museum dit allemaal in het Verkade Paviljoen. Wat dat betreft is het een perfect voorbeeld van interactieve bedrijfsgeschiedenis. Het enige dat echt ontbreekt, wat de hele ervaring echt af zou maken, is dat je bij het koekjesinpakspel aan het einde zo'n mislukt en gebroken met suiker bestrooid koekje uit de inpakmachine krijgt! Nu moet je na afloop van je bezoek in het Museumcafé zelf iets lekkers bij je koffie of thee bestellen. Jammer, want the proof of the koekie is in the eating.
De uitnodiging voor de bijeenkomst van vanmorgen heb ik dan ook lang in het postvak "in" laten zitten, maar ik ben erg blij er toch op in gegaan te zijn. Een kijkje achter de schermen van het Verkade Paviljoen in het Zaans Museum. Opdrachtgever Fokelien Renckens van het museum en makers (ACT2 en IJsfontein) van dit stuk interactieve bedrijfsgeschiedenis boden een aantal collega's de gelegenheid te horen en te zien waarom bepaalde keuzes gemaakt zijn, waar concessies zijn gedaan, hoe het paviljoen in de rest van het museum past, maar ook om te horen wat wij ervan vonden.
Voor wie nog niet geweest is: hier krijg je een goede indruk, maar ruiken, spelen en proeven (helaas alleen in de museumwinkel/museumcafé) doet veel meer!
Ik was er een maand of twee geleden met vriendin en kinderen (8, 12 en 14) geweest en kende het Paviljoen en de interactieve presentatie dus al. Wat nu zo leuk was, was om te horen of de ervaringen die wij van ons bezoek hadden meegenomen, overeen kwamen met de uitgangspunten en visie van het museum en de makers.
Uiteraard bleek dat natuurlijk deels wel en deels ook niet zo te zijn.
Sommige dingen vallen je zelfs helemaal niet op, tot ze uitgelegd worden en dan kan je ze niet meer uit je systeem krijgen tijdens het bezoek! Zo vertelde Cas Verholt van ACT2 dat de meisjes van Verkade in de tijd dat er nog geen radio op het werk was, samen operettes zongen, op het ritme van de koekjesmachines. ACT2 en IJsfontein
hebben hieruit acht muziekstukken laten componeren van vier minuten elk, ook op basis van het ritme van de machines. Dat was me bij het eerste bezoek helemaal niet opgevallen en nu hoorde ik ze telkens weer.
Grappig ook om te merken dat een van de kritiekpunten van de kinderen op het Paviljoen ("het is wat beperkt", "we waren er al snel doorheen") nu precies de bedoeling van het museum bleek te zijn, namenlijk niet meer dan 30 minuten omdat dat de tijd is die buitenlandse bezoekers aan de naastgelegen Zaanse Schans hebben voor een bezoek aan het museum!
Minstens zo goed als het bezoek aan plus uitleg in het Paviljoen was de discussie na afloop. Moeten we niet uitkijken dat we als musea niet teveel voor de gimmick gaan? Maken al die interactieve 'spelletjes' je museum niet tot een veredelde speeltuin, alleen nog maar leuk voor kinderen? De techniek vanwege de beschikbaarheid gebruiken? Wat doet zo'n Paviljoen met de waardering voor de rest van je (nog) niet zo interactieve museum? Dwingt zo'n eerste stap je niet tot het aanpakken van de rest van de exposities? Met oa. alle personele en financiële gevolgen van dien.
Ik geloof dat de verwachtingspatronen van bezoekers van musea toch al (onherroepelijk) aan het veranderen zijn onder invloed van wat het Spoorwegmuseum, Beeld en Geluid en anderen hebben neergezet. Die interactiviteit en beleving is langzamerhand de maat der dingen geworden.
Helaas genoeg doe je daar niet alle doelgroepen een plezier mee denk ik. Zo zou ik mijn vader niet graag meenemen naar Beeld en Geluid, hoewel hij liefhebber is van historisch beeld en geluidsmateriaal. Hij zou binnen vijf minuten gillend wegrennen vanwege het lawaai en de lichteffecten.
Nu weet ik wel dat je het niet iedereen naar de zin kan maken en dat je keuzes maken welke doelgroep je prioriteit wilt geven, voor mij zou het meemaken van beleving en activiteiten in het nieuwe Vestingmuseum een keuze op zich moeten zijn. Je kan je laten onderdompelen in het verleden, maar moet het ook afstandelijker, neutraler tot je kunnen nemen.
De lessen van vandaag voor mij zijn duidelijk dat de techniek ondergeschikt moet zijn aan de boodschap, het verhaal en de objecten van het museum (in het Vestingmuseum zijn gebouwen en terreinen de belangrijkste en verhalende objecten).
Techniek mag ook niet zichtbaar aanwezig zijn. Voor het publiek moet de interactive op onzichtbare manier een stukje magie aan het bezoek toevoegen.
En bij voorkeur is een interactieve opstelling gemaakt om met meer mensen te spelen of te doen. Je gaat vrijwel nooit alleen naar een museum.
Overigens doet het Zaans Museum dit allemaal in het Verkade Paviljoen. Wat dat betreft is het een perfect voorbeeld van interactieve bedrijfsgeschiedenis. Het enige dat echt ontbreekt, wat de hele ervaring echt af zou maken, is dat je bij het koekjesinpakspel aan het einde zo'n mislukt en gebroken met suiker bestrooid koekje uit de inpakmachine krijgt! Nu moet je na afloop van je bezoek in het Museumcafé zelf iets lekkers bij je koffie of thee bestellen. Jammer, want the proof of the koekie is in the eating.
zondag 1 november 2009
Besturen sturen
Het museumbestuur, je kan niet met ze en je kan niet zonder ze. Net als het werken met collega's in een bedrijf heb je je bestuursleden veelal niet voor het uitkiezen. Er zit al een hele club als je komt en als er een bestuurslid opstapt, weet dan maar weer eens een geschikte opvolger te vinden.
Mijn eerste museumbestuur (in een niet nader te noemen provinciestadje in Zuid-Holland) bestond uit een zeer gemêleerd gezelschap: wethouder cultuur, (ex) voorzitter van de oudheidkamer, voorzitter lokale winkeliersvereniging, voorzitter historische vereniging, directeur zalencentrum en twee 'gewone' leden. Van behoorlijk progressief tot klein christelijk, van even in de 30 tot dik in de 70 door elkaar. Bijeengebracht uit de noodzaak vele clubs te verenigen in een bestuur voor het plaatselijke museum, lokale VVV en evenementenbureau was het een gezelschap dat het maar moeilijk eens kon worden over de te varen koers: vooruitstrevend museum en bruisend activiteiten- en evenementencentrum of statisch historisch museum en passieve VVV folderpost. En daar kom je dan als pas afgestudeerd historicus tussen te zitten. Een goeie leerschool, twee jaar in de provincie, veel improviseren, laverend tussen een gemeentelijke visie, de soms wat platte plannen van de lokale winkeliers en de bedenkingen van de vele kerkgenootschappen (ruim 25 stuks) bij een verscheidenheid aan onderwerpen. Een tentoonstelling over de vele facetten van "Bliksem" gaf vele felle discussies binnen het bestuur aangezien enkele bestuursleden het een heidens onderwerp vonden en het onderwijs waarschuwden er niet heen te gaan.
Dat was min of meer mijn eerste les in "hoe om te gaan met je bestuur". Er zouden er nog vele volgen..........
Waar ik echter heen wil is het dilemma waar veel besturen en bestuursleden voor staan: "besturen" in de zin van "handen aan het stuur", direct van richting kunnen veranderen als dat nodig lijkt, of besturen op afstand, een groot deel van het beleid en de uitvoering daarvan overlaten aan de directeur en de museumstaf.
Dat heeft met de persoonlijkheid van bestuursleden en directeur te maken, maar ook met verwachtingen, aansprakelijkheidsgevoel, risico mijden en nog zo wat van die dingen.
Grosso modo zijn er twee gangbare bestuursvormen in museumland, het 'gewone'bestuur met voorzitter, secretaris, penningmeester met daaronder een directeur en museumstaf. De andere vorm is het bestuur naar commissarissenmodel, een directeur die tevens enig bestuurslid is van het stichtingsbestuur met daarboven een Raad van Toezicht oid die over de echt grote lijnen gaat, de directeur-bestuurder aanneemt en ontslag verleend en jaarlijks de goedkeuring aan het gevoerde beleid geeft.
De eerste vorm is er meer een van "hands on" besturen, de tweede een van meer afstand van de RvT bestuur en meer handelingsvrijheid voor de directeur-bestuurder. Voor beide modellen is wat te zeggen en beiden hebben ook hun nadelen.
Bij het tweede model, het commissarissenmodel, heb ik het in een aantal musea fout zien gaan. De Raad van Toezicht hield te weinig toezicht en de directeur kreeg de gelegenheid een eigen koninkrijkje te creëren, met alle negatieve gevolgen van dien voor museum, collectie en personeel. Soms ging dat bijna letterlijk tot de rand van de museale afgrond waarbij verkoop van collectieonderdelen heel normaal werd gevonden om de bouw van luchtkastelen mogelijk te maken.
Zolang het goed gaat, is het een prachtig model dat een museum daadkrachtig maakt en waar veel in korte tijd gedaan kan worden. Gaat het fout, dan gaat het vaak ook goed fout..........
Het eerste model van het 'gewone' bestuur is wat behoudender, er is meer terugkoppeling naar de bestuurders nodig en als die om de een of andere reden willen vertragen, is daar alle mogelijkheid toe. Ik heb het idee dat het echter niet zo snel uit de hand kan lopen met een directeur die geheel zijn eigen gang kan gaan.
Het Vestingmuseum kan zich al jaren gelukkig prijzen met een bestuur dat weliswaar een normaal stichtingsbestuur is, maar dat hands off bestuurd, meer fungeert als een klankbord en toetssteen dan als een belemmerend controle mechanisme.
Als ik ze nodig heb, zijn ze er om me bij te staan, veelal geven ze me de vrijheid om de museumzaken zelf te regelen, zolang dat binnen de afgesproken (ruime) kaders blijft.
Het geheim daarvan zit in een goede mix van (relatief) jonge en werkende bestuursleden die het zo druk hebben met werk en gezin dat ze alleen echt op hoofdlijnen kunnen besturen en gepensioneerde en gepassioneerde mensen die meer tijd koppelen aan een goed gevoel voor verhoudingen. Je moet ze echter met een lampje zoeken en soms flikkert je lampje ietsjes...........
Mijn eerste museumbestuur (in een niet nader te noemen provinciestadje in Zuid-Holland) bestond uit een zeer gemêleerd gezelschap: wethouder cultuur, (ex) voorzitter van de oudheidkamer, voorzitter lokale winkeliersvereniging, voorzitter historische vereniging, directeur zalencentrum en twee 'gewone' leden. Van behoorlijk progressief tot klein christelijk, van even in de 30 tot dik in de 70 door elkaar. Bijeengebracht uit de noodzaak vele clubs te verenigen in een bestuur voor het plaatselijke museum, lokale VVV en evenementenbureau was het een gezelschap dat het maar moeilijk eens kon worden over de te varen koers: vooruitstrevend museum en bruisend activiteiten- en evenementencentrum of statisch historisch museum en passieve VVV folderpost. En daar kom je dan als pas afgestudeerd historicus tussen te zitten. Een goeie leerschool, twee jaar in de provincie, veel improviseren, laverend tussen een gemeentelijke visie, de soms wat platte plannen van de lokale winkeliers en de bedenkingen van de vele kerkgenootschappen (ruim 25 stuks) bij een verscheidenheid aan onderwerpen. Een tentoonstelling over de vele facetten van "Bliksem" gaf vele felle discussies binnen het bestuur aangezien enkele bestuursleden het een heidens onderwerp vonden en het onderwijs waarschuwden er niet heen te gaan.
Dat was min of meer mijn eerste les in "hoe om te gaan met je bestuur". Er zouden er nog vele volgen..........
Waar ik echter heen wil is het dilemma waar veel besturen en bestuursleden voor staan: "besturen" in de zin van "handen aan het stuur", direct van richting kunnen veranderen als dat nodig lijkt, of besturen op afstand, een groot deel van het beleid en de uitvoering daarvan overlaten aan de directeur en de museumstaf.
Dat heeft met de persoonlijkheid van bestuursleden en directeur te maken, maar ook met verwachtingen, aansprakelijkheidsgevoel, risico mijden en nog zo wat van die dingen.
Grosso modo zijn er twee gangbare bestuursvormen in museumland, het 'gewone'bestuur met voorzitter, secretaris, penningmeester met daaronder een directeur en museumstaf. De andere vorm is het bestuur naar commissarissenmodel, een directeur die tevens enig bestuurslid is van het stichtingsbestuur met daarboven een Raad van Toezicht oid die over de echt grote lijnen gaat, de directeur-bestuurder aanneemt en ontslag verleend en jaarlijks de goedkeuring aan het gevoerde beleid geeft.
De eerste vorm is er meer een van "hands on" besturen, de tweede een van meer afstand van de RvT bestuur en meer handelingsvrijheid voor de directeur-bestuurder. Voor beide modellen is wat te zeggen en beiden hebben ook hun nadelen.
Bij het tweede model, het commissarissenmodel, heb ik het in een aantal musea fout zien gaan. De Raad van Toezicht hield te weinig toezicht en de directeur kreeg de gelegenheid een eigen koninkrijkje te creëren, met alle negatieve gevolgen van dien voor museum, collectie en personeel. Soms ging dat bijna letterlijk tot de rand van de museale afgrond waarbij verkoop van collectieonderdelen heel normaal werd gevonden om de bouw van luchtkastelen mogelijk te maken.
Zolang het goed gaat, is het een prachtig model dat een museum daadkrachtig maakt en waar veel in korte tijd gedaan kan worden. Gaat het fout, dan gaat het vaak ook goed fout..........
Het eerste model van het 'gewone' bestuur is wat behoudender, er is meer terugkoppeling naar de bestuurders nodig en als die om de een of andere reden willen vertragen, is daar alle mogelijkheid toe. Ik heb het idee dat het echter niet zo snel uit de hand kan lopen met een directeur die geheel zijn eigen gang kan gaan.
Het Vestingmuseum kan zich al jaren gelukkig prijzen met een bestuur dat weliswaar een normaal stichtingsbestuur is, maar dat hands off bestuurd, meer fungeert als een klankbord en toetssteen dan als een belemmerend controle mechanisme.
Als ik ze nodig heb, zijn ze er om me bij te staan, veelal geven ze me de vrijheid om de museumzaken zelf te regelen, zolang dat binnen de afgesproken (ruime) kaders blijft.
Het geheim daarvan zit in een goede mix van (relatief) jonge en werkende bestuursleden die het zo druk hebben met werk en gezin dat ze alleen echt op hoofdlijnen kunnen besturen en gepensioneerde en gepassioneerde mensen die meer tijd koppelen aan een goed gevoel voor verhoudingen. Je moet ze echter met een lampje zoeken en soms flikkert je lampje ietsjes...........
zaterdag 10 oktober 2009
Collectiebeheer
Een gesprek met de collectiebeheerder van het Legermuseum eerder deze week deed me weer eens beseffen hoe kwetsbaar (technische) musea zijn in hun collectiebeheer.
Geen wet zoals de Archiefwet die ervoor zorgt dat collecties in Nederlandse musea zorgvuldig bewaard worden. Het is helemaal afhankelijk van het individuele museum of er veel geld, menskracht en tijd naar collectiebeheer gaat. Het vervelende van collectiebeheer is dat het niet erg flashy is, het dagelijks werk aan historische voorwerpen niet sexy genoeg om een minister een lintje voor te laten doorknippen zoals dat bij mooie en spectaculaire tentoonstellingen of nieuwe gebouwen wel het geval is.
En toch, zonder restauratoren, behoudsmedewerkers en collectiebeheerders geen prachtige schilderijen om naar te kijken, geen restauratie van vervallen transportmiddelen en een groot verlies aan (technische) kennis over het gebruik van die zaken in het verleden.
Nu beperkt mijn kennis zich tot technische- en transportmusea, maar de situatie binnen die musea is niet erg vrolijkstemmend. Als ik zie hoeveel kennis op dat gebied de afgelopen jaren verdwenen is en nauwelijks vervangen.........
En het lijkt zo makkelijk, zeker in musea met technische collecties. Ach, een monteur is wel te vinden en wat krom is buig je recht, wat verveloos is geef je een kwastje en het staat er weer glimmend en glanzend bij. Helaas, was het maar zo makkelijk. Want, is die verveloze locomotief nog voorzien van de originele verflaag? Wat voor verf was dat? Zijn de gebruikssporen niet een onderdeel van het verhaal van die locomotief? En dat gat in dat jachtvliegtuig, is dat een gat vanwege slecht onderhoud? Of is het er in 1943 ingeschoten? En moet je het dan repareren of niet? En als je het gaat repareren, welke technieken gebruik je dan en welke (hedendaagse) materialen? Een vakgebied vol valkuilen en morele dilemma's.
Het mooiste (of beter, slechtste) voorbeeld is de collectie vliegtuigen in het Legermuseum in Brussel. Na afloop van de Eerste Wereldoorlog zijn die vliegtuigen rechtsstreeks van het slagveld het museum in gereden en door geldgebrek is er vrijwel niets aan die toestellen gedaan. Ze waren weliswaar in slechte staat, maar wel volkomen origineel, qua verf, kleuren en insignes, materiaal ed. Prachtige tijdmachines die vol zaten met informatie over die periode uit de geschiedenis.
Een paar jaar geleden kwam ik er weer eens en schrok bij het zien van totaal 'gerestaureerde' toestellen, glimmend en glanzend onder de spotlights. Op mijn vraag hoe dat was gekomen, gaf de conservator vol trots antwoord dat ze nu eindelijke geld hadden gekregen en alle toestellen volledig gerestaureerd hadden! Er was helaas weinig origineels meer aan de toestellen te ontdekken.
Helemaal erg is het als zo'n historisch object weer vlieg-, vaar of rijklaar gemaakt gaat worden. Weliswaar kan je het dan weer in de habitat zien waarvoor het gemaakt is, vanwege visuele en veiligheidseisen is dan helemaal alle originaliteit eruit gehaald en erger nog, zijn zaken toegevoegd die er origineel nooit in gezeten hebben.
De collectiebeheerder van het Legermuseum kwam met een mooi voorstel om bij alle aankopen voor musea meteen een bedrag mee te financieren dat is een restauratiefonds zou gaan waarvan het toekomstige beheer en behoud van het voorwerp betaald kan worden. Gevaar van zo'n aanpak is natuurlijk dat er een aantrekkelijke pot geld ontstaat om uit te graaien voor meer visuele zaken in het museum.
Tijd voor een echte museumwet misschien?
Geen wet zoals de Archiefwet die ervoor zorgt dat collecties in Nederlandse musea zorgvuldig bewaard worden. Het is helemaal afhankelijk van het individuele museum of er veel geld, menskracht en tijd naar collectiebeheer gaat. Het vervelende van collectiebeheer is dat het niet erg flashy is, het dagelijks werk aan historische voorwerpen niet sexy genoeg om een minister een lintje voor te laten doorknippen zoals dat bij mooie en spectaculaire tentoonstellingen of nieuwe gebouwen wel het geval is.
En toch, zonder restauratoren, behoudsmedewerkers en collectiebeheerders geen prachtige schilderijen om naar te kijken, geen restauratie van vervallen transportmiddelen en een groot verlies aan (technische) kennis over het gebruik van die zaken in het verleden.
Nu beperkt mijn kennis zich tot technische- en transportmusea, maar de situatie binnen die musea is niet erg vrolijkstemmend. Als ik zie hoeveel kennis op dat gebied de afgelopen jaren verdwenen is en nauwelijks vervangen.........
En het lijkt zo makkelijk, zeker in musea met technische collecties. Ach, een monteur is wel te vinden en wat krom is buig je recht, wat verveloos is geef je een kwastje en het staat er weer glimmend en glanzend bij. Helaas, was het maar zo makkelijk. Want, is die verveloze locomotief nog voorzien van de originele verflaag? Wat voor verf was dat? Zijn de gebruikssporen niet een onderdeel van het verhaal van die locomotief? En dat gat in dat jachtvliegtuig, is dat een gat vanwege slecht onderhoud? Of is het er in 1943 ingeschoten? En moet je het dan repareren of niet? En als je het gaat repareren, welke technieken gebruik je dan en welke (hedendaagse) materialen? Een vakgebied vol valkuilen en morele dilemma's.
Het mooiste (of beter, slechtste) voorbeeld is de collectie vliegtuigen in het Legermuseum in Brussel. Na afloop van de Eerste Wereldoorlog zijn die vliegtuigen rechtsstreeks van het slagveld het museum in gereden en door geldgebrek is er vrijwel niets aan die toestellen gedaan. Ze waren weliswaar in slechte staat, maar wel volkomen origineel, qua verf, kleuren en insignes, materiaal ed. Prachtige tijdmachines die vol zaten met informatie over die periode uit de geschiedenis.
Een paar jaar geleden kwam ik er weer eens en schrok bij het zien van totaal 'gerestaureerde' toestellen, glimmend en glanzend onder de spotlights. Op mijn vraag hoe dat was gekomen, gaf de conservator vol trots antwoord dat ze nu eindelijke geld hadden gekregen en alle toestellen volledig gerestaureerd hadden! Er was helaas weinig origineels meer aan de toestellen te ontdekken.
Helemaal erg is het als zo'n historisch object weer vlieg-, vaar of rijklaar gemaakt gaat worden. Weliswaar kan je het dan weer in de habitat zien waarvoor het gemaakt is, vanwege visuele en veiligheidseisen is dan helemaal alle originaliteit eruit gehaald en erger nog, zijn zaken toegevoegd die er origineel nooit in gezeten hebben.
De collectiebeheerder van het Legermuseum kwam met een mooi voorstel om bij alle aankopen voor musea meteen een bedrag mee te financieren dat is een restauratiefonds zou gaan waarvan het toekomstige beheer en behoud van het voorwerp betaald kan worden. Gevaar van zo'n aanpak is natuurlijk dat er een aantrekkelijke pot geld ontstaat om uit te graaien voor meer visuele zaken in het museum.
Tijd voor een echte museumwet misschien?
dinsdag 6 oktober 2009
Van oude dames en verhalen van Indië
Vandaag samen met filmmaker Fred Pelder een interview gedaan met mevrouw Huizer.
Eerder schreef ik al over het Project Tarakan , een onderzoeksproject naar de restanten van het erfgoed van de Tweede Wereldoorlog op het eilandje Tarakan aan de oostkust van Borneo.
Mevrouw Huizer woonde daar van 1936 - 1938 met haar man die genieofficier was en haar vader die toen administrateur was van de BPM (nu Shell) op Tarakan.
Ze vertelde ons van het leven op zo'n eilandje, van de rangen en standen die toen nog sterk van toepassing waren, van het feit dat vrouwen niets in te brengen hadden en van de eentonigheid van het dagelijks leven in die kleine gemeenschap.
Veel kon ze ons niet vertellen over de toenemende spanning in de oost, behalve dat men die telkens wel voelde als weer een Japanse tanker het eiland aandeed om olie te laden.
Toch vonden wij het een bijzonder gesprek omdat ze heel goed in staat was het gevoel van leven in Indië op ons over te brengen. Je weet wel veel van die feiten omdat je erover gelezen hebt, maar door ze nu van een 93-jarige dame die indringend kan vertellen uit haar eigen mond te horen, laat het duidelijk tot leven komen.
Samen met het historisch beeldmateriaal dat we bij Beeld en Geluid hebben gevonden en de films die Fred in Tarakan heeft gemaakt van alle nog resterende verdedigingswerken, kunnen we een goed beeld schetsen van de geschiedenis van Tarakan in oorlogstijd en dit eind van het jaar via een website publiceren.
Eerder schreef ik al over het Project Tarakan , een onderzoeksproject naar de restanten van het erfgoed van de Tweede Wereldoorlog op het eilandje Tarakan aan de oostkust van Borneo.
Mevrouw Huizer woonde daar van 1936 - 1938 met haar man die genieofficier was en haar vader die toen administrateur was van de BPM (nu Shell) op Tarakan.
Ze vertelde ons van het leven op zo'n eilandje, van de rangen en standen die toen nog sterk van toepassing waren, van het feit dat vrouwen niets in te brengen hadden en van de eentonigheid van het dagelijks leven in die kleine gemeenschap.
Veel kon ze ons niet vertellen over de toenemende spanning in de oost, behalve dat men die telkens wel voelde als weer een Japanse tanker het eiland aandeed om olie te laden.
Toch vonden wij het een bijzonder gesprek omdat ze heel goed in staat was het gevoel van leven in Indië op ons over te brengen. Je weet wel veel van die feiten omdat je erover gelezen hebt, maar door ze nu van een 93-jarige dame die indringend kan vertellen uit haar eigen mond te horen, laat het duidelijk tot leven komen.
Samen met het historisch beeldmateriaal dat we bij Beeld en Geluid hebben gevonden en de films die Fred in Tarakan heeft gemaakt van alle nog resterende verdedigingswerken, kunnen we een goed beeld schetsen van de geschiedenis van Tarakan in oorlogstijd en dit eind van het jaar via een website publiceren.
Abonneren op:
Posts (Atom)