Het museumbestuur, je kan niet met ze en je kan niet zonder ze. Net als het werken met collega's in een bedrijf heb je je bestuursleden veelal niet voor het uitkiezen. Er zit al een hele club als je komt en als er een bestuurslid opstapt, weet dan maar weer eens een geschikte opvolger te vinden.
Mijn eerste museumbestuur (in een niet nader te noemen provinciestadje in Zuid-Holland) bestond uit een zeer gemêleerd gezelschap: wethouder cultuur, (ex) voorzitter van de oudheidkamer, voorzitter lokale winkeliersvereniging, voorzitter historische vereniging, directeur zalencentrum en twee 'gewone' leden. Van behoorlijk progressief tot klein christelijk, van even in de 30 tot dik in de 70 door elkaar. Bijeengebracht uit de noodzaak vele clubs te verenigen in een bestuur voor het plaatselijke museum, lokale VVV en evenementenbureau was het een gezelschap dat het maar moeilijk eens kon worden over de te varen koers: vooruitstrevend museum en bruisend activiteiten- en evenementencentrum of statisch historisch museum en passieve VVV folderpost. En daar kom je dan als pas afgestudeerd historicus tussen te zitten. Een goeie leerschool, twee jaar in de provincie, veel improviseren, laverend tussen een gemeentelijke visie, de soms wat platte plannen van de lokale winkeliers en de bedenkingen van de vele kerkgenootschappen (ruim 25 stuks) bij een verscheidenheid aan onderwerpen. Een tentoonstelling over de vele facetten van "Bliksem" gaf vele felle discussies binnen het bestuur aangezien enkele bestuursleden het een heidens onderwerp vonden en het onderwijs waarschuwden er niet heen te gaan.
Dat was min of meer mijn eerste les in "hoe om te gaan met je bestuur". Er zouden er nog vele volgen..........
Waar ik echter heen wil is het dilemma waar veel besturen en bestuursleden voor staan: "besturen" in de zin van "handen aan het stuur", direct van richting kunnen veranderen als dat nodig lijkt, of besturen op afstand, een groot deel van het beleid en de uitvoering daarvan overlaten aan de directeur en de museumstaf.
Dat heeft met de persoonlijkheid van bestuursleden en directeur te maken, maar ook met verwachtingen, aansprakelijkheidsgevoel, risico mijden en nog zo wat van die dingen.
Grosso modo zijn er twee gangbare bestuursvormen in museumland, het 'gewone'bestuur met voorzitter, secretaris, penningmeester met daaronder een directeur en museumstaf. De andere vorm is het bestuur naar commissarissenmodel, een directeur die tevens enig bestuurslid is van het stichtingsbestuur met daarboven een Raad van Toezicht oid die over de echt grote lijnen gaat, de directeur-bestuurder aanneemt en ontslag verleend en jaarlijks de goedkeuring aan het gevoerde beleid geeft.
De eerste vorm is er meer een van "hands on" besturen, de tweede een van meer afstand van de RvT bestuur en meer handelingsvrijheid voor de directeur-bestuurder. Voor beide modellen is wat te zeggen en beiden hebben ook hun nadelen.
Bij het tweede model, het commissarissenmodel, heb ik het in een aantal musea fout zien gaan. De Raad van Toezicht hield te weinig toezicht en de directeur kreeg de gelegenheid een eigen koninkrijkje te creëren, met alle negatieve gevolgen van dien voor museum, collectie en personeel. Soms ging dat bijna letterlijk tot de rand van de museale afgrond waarbij verkoop van collectieonderdelen heel normaal werd gevonden om de bouw van luchtkastelen mogelijk te maken.
Zolang het goed gaat, is het een prachtig model dat een museum daadkrachtig maakt en waar veel in korte tijd gedaan kan worden. Gaat het fout, dan gaat het vaak ook goed fout..........
Het eerste model van het 'gewone' bestuur is wat behoudender, er is meer terugkoppeling naar de bestuurders nodig en als die om de een of andere reden willen vertragen, is daar alle mogelijkheid toe. Ik heb het idee dat het echter niet zo snel uit de hand kan lopen met een directeur die geheel zijn eigen gang kan gaan.
Het Vestingmuseum kan zich al jaren gelukkig prijzen met een bestuur dat weliswaar een normaal stichtingsbestuur is, maar dat hands off bestuurd, meer fungeert als een klankbord en toetssteen dan als een belemmerend controle mechanisme.
Als ik ze nodig heb, zijn ze er om me bij te staan, veelal geven ze me de vrijheid om de museumzaken zelf te regelen, zolang dat binnen de afgesproken (ruime) kaders blijft.
Het geheim daarvan zit in een goede mix van (relatief) jonge en werkende bestuursleden die het zo druk hebben met werk en gezin dat ze alleen echt op hoofdlijnen kunnen besturen en gepensioneerde en gepassioneerde mensen die meer tijd koppelen aan een goed gevoel voor verhoudingen. Je moet ze echter met een lampje zoeken en soms flikkert je lampje ietsjes...........
zondag 1 november 2009
zaterdag 10 oktober 2009
Collectiebeheer
Een gesprek met de collectiebeheerder van het Legermuseum eerder deze week deed me weer eens beseffen hoe kwetsbaar (technische) musea zijn in hun collectiebeheer.
Geen wet zoals de Archiefwet die ervoor zorgt dat collecties in Nederlandse musea zorgvuldig bewaard worden. Het is helemaal afhankelijk van het individuele museum of er veel geld, menskracht en tijd naar collectiebeheer gaat. Het vervelende van collectiebeheer is dat het niet erg flashy is, het dagelijks werk aan historische voorwerpen niet sexy genoeg om een minister een lintje voor te laten doorknippen zoals dat bij mooie en spectaculaire tentoonstellingen of nieuwe gebouwen wel het geval is.
En toch, zonder restauratoren, behoudsmedewerkers en collectiebeheerders geen prachtige schilderijen om naar te kijken, geen restauratie van vervallen transportmiddelen en een groot verlies aan (technische) kennis over het gebruik van die zaken in het verleden.
Nu beperkt mijn kennis zich tot technische- en transportmusea, maar de situatie binnen die musea is niet erg vrolijkstemmend. Als ik zie hoeveel kennis op dat gebied de afgelopen jaren verdwenen is en nauwelijks vervangen.........
En het lijkt zo makkelijk, zeker in musea met technische collecties. Ach, een monteur is wel te vinden en wat krom is buig je recht, wat verveloos is geef je een kwastje en het staat er weer glimmend en glanzend bij. Helaas, was het maar zo makkelijk. Want, is die verveloze locomotief nog voorzien van de originele verflaag? Wat voor verf was dat? Zijn de gebruikssporen niet een onderdeel van het verhaal van die locomotief? En dat gat in dat jachtvliegtuig, is dat een gat vanwege slecht onderhoud? Of is het er in 1943 ingeschoten? En moet je het dan repareren of niet? En als je het gaat repareren, welke technieken gebruik je dan en welke (hedendaagse) materialen? Een vakgebied vol valkuilen en morele dilemma's.
Het mooiste (of beter, slechtste) voorbeeld is de collectie vliegtuigen in het Legermuseum in Brussel. Na afloop van de Eerste Wereldoorlog zijn die vliegtuigen rechtsstreeks van het slagveld het museum in gereden en door geldgebrek is er vrijwel niets aan die toestellen gedaan. Ze waren weliswaar in slechte staat, maar wel volkomen origineel, qua verf, kleuren en insignes, materiaal ed. Prachtige tijdmachines die vol zaten met informatie over die periode uit de geschiedenis.
Een paar jaar geleden kwam ik er weer eens en schrok bij het zien van totaal 'gerestaureerde' toestellen, glimmend en glanzend onder de spotlights. Op mijn vraag hoe dat was gekomen, gaf de conservator vol trots antwoord dat ze nu eindelijke geld hadden gekregen en alle toestellen volledig gerestaureerd hadden! Er was helaas weinig origineels meer aan de toestellen te ontdekken.
Helemaal erg is het als zo'n historisch object weer vlieg-, vaar of rijklaar gemaakt gaat worden. Weliswaar kan je het dan weer in de habitat zien waarvoor het gemaakt is, vanwege visuele en veiligheidseisen is dan helemaal alle originaliteit eruit gehaald en erger nog, zijn zaken toegevoegd die er origineel nooit in gezeten hebben.
De collectiebeheerder van het Legermuseum kwam met een mooi voorstel om bij alle aankopen voor musea meteen een bedrag mee te financieren dat is een restauratiefonds zou gaan waarvan het toekomstige beheer en behoud van het voorwerp betaald kan worden. Gevaar van zo'n aanpak is natuurlijk dat er een aantrekkelijke pot geld ontstaat om uit te graaien voor meer visuele zaken in het museum.
Tijd voor een echte museumwet misschien?
Geen wet zoals de Archiefwet die ervoor zorgt dat collecties in Nederlandse musea zorgvuldig bewaard worden. Het is helemaal afhankelijk van het individuele museum of er veel geld, menskracht en tijd naar collectiebeheer gaat. Het vervelende van collectiebeheer is dat het niet erg flashy is, het dagelijks werk aan historische voorwerpen niet sexy genoeg om een minister een lintje voor te laten doorknippen zoals dat bij mooie en spectaculaire tentoonstellingen of nieuwe gebouwen wel het geval is.
En toch, zonder restauratoren, behoudsmedewerkers en collectiebeheerders geen prachtige schilderijen om naar te kijken, geen restauratie van vervallen transportmiddelen en een groot verlies aan (technische) kennis over het gebruik van die zaken in het verleden.
Nu beperkt mijn kennis zich tot technische- en transportmusea, maar de situatie binnen die musea is niet erg vrolijkstemmend. Als ik zie hoeveel kennis op dat gebied de afgelopen jaren verdwenen is en nauwelijks vervangen.........
En het lijkt zo makkelijk, zeker in musea met technische collecties. Ach, een monteur is wel te vinden en wat krom is buig je recht, wat verveloos is geef je een kwastje en het staat er weer glimmend en glanzend bij. Helaas, was het maar zo makkelijk. Want, is die verveloze locomotief nog voorzien van de originele verflaag? Wat voor verf was dat? Zijn de gebruikssporen niet een onderdeel van het verhaal van die locomotief? En dat gat in dat jachtvliegtuig, is dat een gat vanwege slecht onderhoud? Of is het er in 1943 ingeschoten? En moet je het dan repareren of niet? En als je het gaat repareren, welke technieken gebruik je dan en welke (hedendaagse) materialen? Een vakgebied vol valkuilen en morele dilemma's.
Het mooiste (of beter, slechtste) voorbeeld is de collectie vliegtuigen in het Legermuseum in Brussel. Na afloop van de Eerste Wereldoorlog zijn die vliegtuigen rechtsstreeks van het slagveld het museum in gereden en door geldgebrek is er vrijwel niets aan die toestellen gedaan. Ze waren weliswaar in slechte staat, maar wel volkomen origineel, qua verf, kleuren en insignes, materiaal ed. Prachtige tijdmachines die vol zaten met informatie over die periode uit de geschiedenis.
Een paar jaar geleden kwam ik er weer eens en schrok bij het zien van totaal 'gerestaureerde' toestellen, glimmend en glanzend onder de spotlights. Op mijn vraag hoe dat was gekomen, gaf de conservator vol trots antwoord dat ze nu eindelijke geld hadden gekregen en alle toestellen volledig gerestaureerd hadden! Er was helaas weinig origineels meer aan de toestellen te ontdekken.
Helemaal erg is het als zo'n historisch object weer vlieg-, vaar of rijklaar gemaakt gaat worden. Weliswaar kan je het dan weer in de habitat zien waarvoor het gemaakt is, vanwege visuele en veiligheidseisen is dan helemaal alle originaliteit eruit gehaald en erger nog, zijn zaken toegevoegd die er origineel nooit in gezeten hebben.
De collectiebeheerder van het Legermuseum kwam met een mooi voorstel om bij alle aankopen voor musea meteen een bedrag mee te financieren dat is een restauratiefonds zou gaan waarvan het toekomstige beheer en behoud van het voorwerp betaald kan worden. Gevaar van zo'n aanpak is natuurlijk dat er een aantrekkelijke pot geld ontstaat om uit te graaien voor meer visuele zaken in het museum.
Tijd voor een echte museumwet misschien?
dinsdag 6 oktober 2009
Van oude dames en verhalen van Indië
Vandaag samen met filmmaker Fred Pelder een interview gedaan met mevrouw Huizer.
Eerder schreef ik al over het Project Tarakan , een onderzoeksproject naar de restanten van het erfgoed van de Tweede Wereldoorlog op het eilandje Tarakan aan de oostkust van Borneo.
Mevrouw Huizer woonde daar van 1936 - 1938 met haar man die genieofficier was en haar vader die toen administrateur was van de BPM (nu Shell) op Tarakan.
Ze vertelde ons van het leven op zo'n eilandje, van de rangen en standen die toen nog sterk van toepassing waren, van het feit dat vrouwen niets in te brengen hadden en van de eentonigheid van het dagelijks leven in die kleine gemeenschap.
Veel kon ze ons niet vertellen over de toenemende spanning in de oost, behalve dat men die telkens wel voelde als weer een Japanse tanker het eiland aandeed om olie te laden.
Toch vonden wij het een bijzonder gesprek omdat ze heel goed in staat was het gevoel van leven in Indië op ons over te brengen. Je weet wel veel van die feiten omdat je erover gelezen hebt, maar door ze nu van een 93-jarige dame die indringend kan vertellen uit haar eigen mond te horen, laat het duidelijk tot leven komen.
Samen met het historisch beeldmateriaal dat we bij Beeld en Geluid hebben gevonden en de films die Fred in Tarakan heeft gemaakt van alle nog resterende verdedigingswerken, kunnen we een goed beeld schetsen van de geschiedenis van Tarakan in oorlogstijd en dit eind van het jaar via een website publiceren.
Eerder schreef ik al over het Project Tarakan , een onderzoeksproject naar de restanten van het erfgoed van de Tweede Wereldoorlog op het eilandje Tarakan aan de oostkust van Borneo.
Mevrouw Huizer woonde daar van 1936 - 1938 met haar man die genieofficier was en haar vader die toen administrateur was van de BPM (nu Shell) op Tarakan.
Ze vertelde ons van het leven op zo'n eilandje, van de rangen en standen die toen nog sterk van toepassing waren, van het feit dat vrouwen niets in te brengen hadden en van de eentonigheid van het dagelijks leven in die kleine gemeenschap.
Veel kon ze ons niet vertellen over de toenemende spanning in de oost, behalve dat men die telkens wel voelde als weer een Japanse tanker het eiland aandeed om olie te laden.
Toch vonden wij het een bijzonder gesprek omdat ze heel goed in staat was het gevoel van leven in Indië op ons over te brengen. Je weet wel veel van die feiten omdat je erover gelezen hebt, maar door ze nu van een 93-jarige dame die indringend kan vertellen uit haar eigen mond te horen, laat het duidelijk tot leven komen.
Samen met het historisch beeldmateriaal dat we bij Beeld en Geluid hebben gevonden en de films die Fred in Tarakan heeft gemaakt van alle nog resterende verdedigingswerken, kunnen we een goed beeld schetsen van de geschiedenis van Tarakan in oorlogstijd en dit eind van het jaar via een website publiceren.
dinsdag 22 september 2009
Jungle Naarden
Een paar weken geleden, een mooie zomeravond na de opening van een expositie. Wandelend door Naarden liepen we langs bastion Oud Molen, het gedeelte van de vesting waarop 'Het Arsenaal' van Jan des Bouvrie ligt. Ik wilde de daarachter gelegen kazerne Oud Molen laten zien, een prachtig, maar goed verborgen gebouw in de vesting. Vandaar was het een kleine stap de kazerne zelf op voor een schitterend uitzicht over de stad op dakhoogte, je waant je eeuwen terug in de tijd!
Daar staande besloten we tot een avondwandeling over de wallen. Dat bleek uit te draaien op een ware jungle expeditie, een tocht van epische proporties! Zonder klewang of kapmes kom je niet ver op een groot deel van de vesting, een merkwaardige gewaarwording als je weet met welke aandacht, zorg en tegen welke kosten de vestingwerken in authentieke staat worden gehouden door het Rijk.
Blijkbaar zit er een groot verschil tussen de grote restauratieprojecten en het dagelijks onderhoud en maaiwerk.
Aan de ene kant jammer omdat je zo feitelijk alleen de vesting kan bewonderen door er aan de buitenkant omheen te wandelen of door een vaartocht over de vestinggracht te maken. Je zou willen dat 's Rijks grootste monument (zeker in oppervlakte en ook wel in het aantal bakstenen) de zo verdiende aandacht en waardering van het publiek krijgt.
Aan de andere kant heeft het ook wel iets verleidelijks om die vesting voor jezelf te hebben en een select groepje andere liefhebbers. Een verborgen parel in het ruige groen. Je moet er misschien ook niet aan denken dat het een gladgeschoren parklandschap zou zijn, met aangeharkte schelpenpaadjes, waarschuwingsbordjes niet op het gras te lopen, overal bankjes en vuilnisbakken, kortom volkomen vertrut.
Dus zolang dat nog niet het geval is zou ik zeggen, kom naar Naarden, neem je wandelschoenen mee, een stevige stok, water voor onderweg en geniet van "Expeditie Naarden", maar vertel het niet teveel anderen.........
Daar staande besloten we tot een avondwandeling over de wallen. Dat bleek uit te draaien op een ware jungle expeditie, een tocht van epische proporties! Zonder klewang of kapmes kom je niet ver op een groot deel van de vesting, een merkwaardige gewaarwording als je weet met welke aandacht, zorg en tegen welke kosten de vestingwerken in authentieke staat worden gehouden door het Rijk.
Blijkbaar zit er een groot verschil tussen de grote restauratieprojecten en het dagelijks onderhoud en maaiwerk.
Aan de ene kant jammer omdat je zo feitelijk alleen de vesting kan bewonderen door er aan de buitenkant omheen te wandelen of door een vaartocht over de vestinggracht te maken. Je zou willen dat 's Rijks grootste monument (zeker in oppervlakte en ook wel in het aantal bakstenen) de zo verdiende aandacht en waardering van het publiek krijgt.
Aan de andere kant heeft het ook wel iets verleidelijks om die vesting voor jezelf te hebben en een select groepje andere liefhebbers. Een verborgen parel in het ruige groen. Je moet er misschien ook niet aan denken dat het een gladgeschoren parklandschap zou zijn, met aangeharkte schelpenpaadjes, waarschuwingsbordjes niet op het gras te lopen, overal bankjes en vuilnisbakken, kortom volkomen vertrut.
Dus zolang dat nog niet het geval is zou ik zeggen, kom naar Naarden, neem je wandelschoenen mee, een stevige stok, water voor onderweg en geniet van "Expeditie Naarden", maar vertel het niet teveel anderen.........
woensdag 12 augustus 2009
De figuurlijke vesting
Gisteravond vond de opening van de World Press Photo tentoonstelling in de Grote Kerk van Naarden plaats. Naast het tweejaarlijkse Foto Festival Naarden is de expositie van de World Press Photo een tweede uiting binnen het thema "Naarden, Fotostad". Sprekers als Pieter Broertjes (Volkskrant), Martin Trampe (Canon Nederland) en Sacha de Boer (die als fotografe de expositie opende) hadden het over de bedreigingen waaronder de fotojournalistiek tegenwoordig werkt: minder geld vanuit de gedrukte media en oprukkende amateurs die met hun mobieltje actueel nieuws vastleggen en deze beelden tegen geringe kosten bij de media aanbieden.
Fotojournalistiek en een vrije pers zijn belangrijke mechanismen in een democratie en het dus waard beschermd te worden.
Dat zette mij aan het denken over de positie van Naarden als vestingstad. De vesting in letterlijke zin heeft al zo'n twee eeuwen afgedaan. In 1813-1814 hebben de vestingwerken van Naarden voor het laatst actief dienst gedaan. Weliswaar gebruikt door de Franse troepen van Napoleon die de Hollanders buiten wilde houden, maar er was toch een zwaar en langdurig beleg voor nodig om hen de stad uit te krijgen. Gelukkig is de vesting tijdens de Eerste of Tweede Wereldoorlog niet meer in actie geweest. Er was dan waarschijnlijk weinig van over gebleven!
Toch zou je kunnen zeggen dat de functie van de vesting als verdedigingsmiddel tegen bedreigingen nog niet helemaal hoeft te verdwijnen. In de loop der eeuwen zie je dat bescherming en veredediging van lokaal (motteburcht, kasteel) naar regionaal (vestingsteden, linies), landelijk (een Grebbelinie of de Nieuwe Hollandse Waterlinie) en zelfs continentaal is gegaan (de Duitse Atlantikwall die van Noorwegen tot de Spaanse grens Europa moest beschermen). Vandaag de dag is de fysieke functie van deze verdedigingswerken overgenomen door virtuele linies. IT-systemen, irisscans, paspoorten met RFID chips, CCTV systemen en dergelijke moeten ons beschermen tegen criminaliteit en terrorisme. Bescherming is het fysieke ontstegen.
Voor het niet-fysieke is bescherming echter onverminderd belangrijk. Naarden verenigd meerdere onderwerpen binnen de wallen die samen symbool kunnen staan voor bescherming door de "figuurlijke vesting": Comenius en het Comeniusmuseum staan voor verspreiding van kennis, voor bescherming tegen onwetendheid; het Vestingmuseum brengt het verhaal van de fysieke bescherming van burgers en het land maar ook dat van de bescherming van monumenten en gebouwd erfgoed; Naarden Fotostad staat voor het vrije beeld, het verhaal dat een goede persfoto kan vertellen en de kracht van de vrije pers. Samen maken deze onderwerpen Naarden tot een figuurlijke vesting. De vesting waar het vrije woord, het vrije beeld en de bescherming van erfgoed centraal staan.
Met dat thema kan Naarden zich onderscheiden en profileren, naar de buitenwereld, van bezoekers tot bedrijven en van politiek tot media.
Fotojournalistiek en een vrije pers zijn belangrijke mechanismen in een democratie en het dus waard beschermd te worden.
Dat zette mij aan het denken over de positie van Naarden als vestingstad. De vesting in letterlijke zin heeft al zo'n twee eeuwen afgedaan. In 1813-1814 hebben de vestingwerken van Naarden voor het laatst actief dienst gedaan. Weliswaar gebruikt door de Franse troepen van Napoleon die de Hollanders buiten wilde houden, maar er was toch een zwaar en langdurig beleg voor nodig om hen de stad uit te krijgen. Gelukkig is de vesting tijdens de Eerste of Tweede Wereldoorlog niet meer in actie geweest. Er was dan waarschijnlijk weinig van over gebleven!
Toch zou je kunnen zeggen dat de functie van de vesting als verdedigingsmiddel tegen bedreigingen nog niet helemaal hoeft te verdwijnen. In de loop der eeuwen zie je dat bescherming en veredediging van lokaal (motteburcht, kasteel) naar regionaal (vestingsteden, linies), landelijk (een Grebbelinie of de Nieuwe Hollandse Waterlinie) en zelfs continentaal is gegaan (de Duitse Atlantikwall die van Noorwegen tot de Spaanse grens Europa moest beschermen). Vandaag de dag is de fysieke functie van deze verdedigingswerken overgenomen door virtuele linies. IT-systemen, irisscans, paspoorten met RFID chips, CCTV systemen en dergelijke moeten ons beschermen tegen criminaliteit en terrorisme. Bescherming is het fysieke ontstegen.
Voor het niet-fysieke is bescherming echter onverminderd belangrijk. Naarden verenigd meerdere onderwerpen binnen de wallen die samen symbool kunnen staan voor bescherming door de "figuurlijke vesting": Comenius en het Comeniusmuseum staan voor verspreiding van kennis, voor bescherming tegen onwetendheid; het Vestingmuseum brengt het verhaal van de fysieke bescherming van burgers en het land maar ook dat van de bescherming van monumenten en gebouwd erfgoed; Naarden Fotostad staat voor het vrije beeld, het verhaal dat een goede persfoto kan vertellen en de kracht van de vrije pers. Samen maken deze onderwerpen Naarden tot een figuurlijke vesting. De vesting waar het vrije woord, het vrije beeld en de bescherming van erfgoed centraal staan.
Met dat thema kan Naarden zich onderscheiden en profileren, naar de buitenwereld, van bezoekers tot bedrijven en van politiek tot media.
vrijdag 19 juni 2009
Nationaal Historisch Museum, waar? Naarden natuurlijk!
Naarden, de onbekendste bekende cultuurstad van Noord-Holland. Onbekend bekend, want vraag je een willekeurige Nederlander of hij of zij Naarden kent, dan zal hij waarschijnlijk meteen roepen “Het Arsenaal, Jan des Bouvrie!”. Of de Mattheuspassion, in de Grote Kerk, daar waar het kabinet altijd op de eerste rij zit. Of noemt hij het Fotofestival, een evenement van formaat. Daar kent men Naarden wel van.
De vesting echter, dat blijft een echt onbekend bekend fenomeen.
Vrijwel dagelijks komen we hier op het museum mensen tegen die zeggen “ik had er wel eens van gehoord, van die vesting, maar dat het zo mooi is, dat wist ik niet!”
Voor ons op het museum natuurlijk prachtig om te horen, maar het is een boodschap die een bredere verspreiding verdiend. Want Naarden heeft zoveel Vaderlandse geschiedenis aan zich voorbij zien trekken op zo'n compact oppervlak, dat je het veel bediscussieerde Nationaal Historisch Museum gewoon in Naarden zou moeten vestingen!
Want wat hebben we hier allemaal gehad? De Hoekse en Kabeljouwse twisten speelden zich ook in deze omgeving af. De 80-Jarige Oorlog klopte bloedig op de poorten van Naarden, de hele bevolking werd door de Spanjaarden uitgemoord. Daarna werd een eerste vesting gebouwd om Amsterdam tegen aanvallen uit het Oosten te beschermen, een soort Stelling voor Amsterdam avant la lettre eigenlijk.
Hoewel hij hier niet werkte, ligt de befaamde educator Comenius wel in Naarden begraven. Het beroemde, beruchte Rampjaar 1672, wie vergeet dat jaartal ooit nog, wel, dat Rampjaar beleefde een dramatisch hoogtepunt hier in Naarden. De Franse legers van de Zonnekoning, Lodewijk XIV, namen Naarden in 1672 in. Een aantal maanden later wist stadhouder Willem III (de latere koning van Engeland) met behulp van het zojuist opgerichte korps Mariniers, de vesting te heroveren.
In de Napoleontische tijd zaten hier weer Franse troepen, nu soldaten van Napoleon. De kleine veldheer was zelf in 1811 naar de verdediging van Amsterdam komen kijken en had de lunch gebruikt in Naarden, ook toen al blijkbaar beroemd om haar culinaire kwaliteiten.
Twee jaar later moest er weer zwaar gevochten worden om zijn manschappen de vesting uit te jagen. Ze weigerden Naarden te verlaten na de nederlaag van Napoleon in de Volkerenslag van Leipzig. Cornelis Kraijenhoff, de latere bedenker en ontwerper van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, voerde de Nederlandse troepen aan in het beleg van Naarden in 1813 – 1814.
Daarna werd het qua krijgsgewoel gelukkig rustiger in de vesting. In 1870 en 1914 - 1918 werd de vesting nog wel aangepast aan de ontwikkelingen in militaire techniek, gelukkig was strijd in en om de vesting niet nodig.
Pas in 1926 ontstond er weer rumoer, nu niet vanwege oorlogshandelingen, maar omdat na opheffing van de vestingstatus men dreigde de vestingwerken te zullen slopen. In Naarden wilde men de wallen in de gracht schuiven en zo Naarden tot een 'normale' stad in het Gooi maken, zoals Blaricum en Laren. De Stichting Menno van Coehoorn, hoeder van het militair-historisch erfgoed, wist dit echter te voorkomen in een lobby richting de Tweede Kamer. Daarmee had Naarden weer een primeur, één van de eerste beschermde monumenten van het land.
In recente jaren kreeg Naarden het designcentrum van Jandes Bouvrie in het Arsenaal en in het fraaie stadhuis werd inmdidels al menig Oranje huwelijk voltrokken.
Tel je dit alles bij elkaar op, dan is maar één conclusie mogelijk: het Nationaal Historisch Museum hoort in Naarden te staan!
De vesting echter, dat blijft een echt onbekend bekend fenomeen.
Vrijwel dagelijks komen we hier op het museum mensen tegen die zeggen “ik had er wel eens van gehoord, van die vesting, maar dat het zo mooi is, dat wist ik niet!”
Voor ons op het museum natuurlijk prachtig om te horen, maar het is een boodschap die een bredere verspreiding verdiend. Want Naarden heeft zoveel Vaderlandse geschiedenis aan zich voorbij zien trekken op zo'n compact oppervlak, dat je het veel bediscussieerde Nationaal Historisch Museum gewoon in Naarden zou moeten vestingen!
Want wat hebben we hier allemaal gehad? De Hoekse en Kabeljouwse twisten speelden zich ook in deze omgeving af. De 80-Jarige Oorlog klopte bloedig op de poorten van Naarden, de hele bevolking werd door de Spanjaarden uitgemoord. Daarna werd een eerste vesting gebouwd om Amsterdam tegen aanvallen uit het Oosten te beschermen, een soort Stelling voor Amsterdam avant la lettre eigenlijk.
Hoewel hij hier niet werkte, ligt de befaamde educator Comenius wel in Naarden begraven. Het beroemde, beruchte Rampjaar 1672, wie vergeet dat jaartal ooit nog, wel, dat Rampjaar beleefde een dramatisch hoogtepunt hier in Naarden. De Franse legers van de Zonnekoning, Lodewijk XIV, namen Naarden in 1672 in. Een aantal maanden later wist stadhouder Willem III (de latere koning van Engeland) met behulp van het zojuist opgerichte korps Mariniers, de vesting te heroveren.
In de Napoleontische tijd zaten hier weer Franse troepen, nu soldaten van Napoleon. De kleine veldheer was zelf in 1811 naar de verdediging van Amsterdam komen kijken en had de lunch gebruikt in Naarden, ook toen al blijkbaar beroemd om haar culinaire kwaliteiten.
Twee jaar later moest er weer zwaar gevochten worden om zijn manschappen de vesting uit te jagen. Ze weigerden Naarden te verlaten na de nederlaag van Napoleon in de Volkerenslag van Leipzig. Cornelis Kraijenhoff, de latere bedenker en ontwerper van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, voerde de Nederlandse troepen aan in het beleg van Naarden in 1813 – 1814.
Daarna werd het qua krijgsgewoel gelukkig rustiger in de vesting. In 1870 en 1914 - 1918 werd de vesting nog wel aangepast aan de ontwikkelingen in militaire techniek, gelukkig was strijd in en om de vesting niet nodig.
Pas in 1926 ontstond er weer rumoer, nu niet vanwege oorlogshandelingen, maar omdat na opheffing van de vestingstatus men dreigde de vestingwerken te zullen slopen. In Naarden wilde men de wallen in de gracht schuiven en zo Naarden tot een 'normale' stad in het Gooi maken, zoals Blaricum en Laren. De Stichting Menno van Coehoorn, hoeder van het militair-historisch erfgoed, wist dit echter te voorkomen in een lobby richting de Tweede Kamer. Daarmee had Naarden weer een primeur, één van de eerste beschermde monumenten van het land.
In recente jaren kreeg Naarden het designcentrum van Jandes Bouvrie in het Arsenaal en in het fraaie stadhuis werd inmdidels al menig Oranje huwelijk voltrokken.
Tel je dit alles bij elkaar op, dan is maar één conclusie mogelijk: het Nationaal Historisch Museum hoort in Naarden te staan!
dinsdag 9 juni 2009
Forten, vleermuizen en andere zaken uit de natuur
Dan begin je een jaar of vijf geleden als museumdirecteur en denk je dat het allemaal draait om exposities, catalogi, lezingen, educatie en meer van die typische museumonderwerpen. En voor je er erg in hebt, sta je in de werkplaats van het museum met al je kracht een bok in toom te houden die een injectie met ontwormingsmiddel moet krijgen!
Natuurlijk is het Vestingmuseum een erg groen museum, een soort openluchtmuseum bijna. Naast de ondergrondse kazematten met hun specifieke problematiek van metselwerk, vocht, verlichting en dergelijke, kent het grote, groene buitenterrein zijn eigen aanpak. In de eerste jaren werd het gras bijvoorbeeld gemaaid door een hoveniersbedrijf, ingehuurd door de terreineigenaar, de Rijksgebouwendienst. Vanwege bezuinigingen moesten we zelf voor het maaien van dat gras gaan zorgen en na mislukte experimenten met werkervaringsplaatsen en taakgestraften kwamen we uit op een zeer natuurlijke vorm van groenbeheer, het begrazen met Oud-Hollandsche landgeiten.
Nou zijn dat leuke beesten en ze werken hard en gestaag door (je hoort ze nooit klagen dat ze nu alweer moeten overwerken!), ze hebben zo wel hun eigenaardigheden. Toen ze er net waren aten ze het brood van Willem van de Technische Dienst zo uit zijn fietstas of uit z'n bureaula. Koekjes en ander lekkers op het terras van het museumcafé bleken ook niet veilig te zijn.
Nu is dat allemaal veiliggesteld en zijn we al aardig aan de dieren gewend. Stel je echter weer eens wat anders tentoon op het buitenterrein, bijvoorbeeld grote foto's voor het Fotofestival Naarden, blijkt dat ze de houten stellages van die foto's heerlijke ruggeschuurders vinden! De foto's overleefden deze aanvallen maar ternauwernood.
Heel anders, maar ook natuur zijn vleermuizen. Geen fort in de Waterlinie is fan van deze beestjes. Door hun kwetsbaarheid tijdens de winterslaap maken ze het fortbeheerders erg moeilijk iets te organiseren in de onderkomens waar ze de winter doorbrengen. Wij hebben op Bastion Turfpoort geen vleermuizen, maar ik had niet gedacht dat ik ze bijna zou missen. Als thema van de opening van het Fortenseizoen werden in april de vleermuizen in stelling gebracht. In het Vestingmuseum werden dat plastic exemplaren, bij gebrek aan beestjes van vlees en bloed. Maar wat schetst de verbazing dat ze erg populair blijken te zijn bij kinderen. De Vleermuizenspeurtocht liep als een trein en tot aan het einde van de Meivakantie hebben we die er maar in gehouden.
Tenslotte het museum in het voorjaar. Omdat we zo'n drie jaar geleden met het begrazen met de geiten zijn begonnen en we niet (of nauwelijks) meer grasmaaien, is de grondsamenstelling van het bastion er behoorlijk op vooruit gegaan. In plaats van grasmaaien en het geknipte gras afvoeren (zoals voorheen gebeurde en nog steeds op andere delen van de vesting), eten de geiten gras en andere aanplant. In ruil daarvoor bemesten ze het terrein en woelen het met hun hoeven enigszins om. De begroeiing van het bastion is daarmee veel rijker geworden en zo met de komst van het voorjaar zie je een weelde aan planten en bloemen ontluiken op het museum. Ik moet zeggen dat dat wel een extra charme aan ons museum geeft. Zeg nou zelf, welk museum heeft zulke fraaie onderkomens voor de exposities en ook nog eens een fraai begroeid dak waaronder al dat moois te zien is.
Natuurlijk is het Vestingmuseum een erg groen museum, een soort openluchtmuseum bijna. Naast de ondergrondse kazematten met hun specifieke problematiek van metselwerk, vocht, verlichting en dergelijke, kent het grote, groene buitenterrein zijn eigen aanpak. In de eerste jaren werd het gras bijvoorbeeld gemaaid door een hoveniersbedrijf, ingehuurd door de terreineigenaar, de Rijksgebouwendienst. Vanwege bezuinigingen moesten we zelf voor het maaien van dat gras gaan zorgen en na mislukte experimenten met werkervaringsplaatsen en taakgestraften kwamen we uit op een zeer natuurlijke vorm van groenbeheer, het begrazen met Oud-Hollandsche landgeiten.
Nou zijn dat leuke beesten en ze werken hard en gestaag door (je hoort ze nooit klagen dat ze nu alweer moeten overwerken!), ze hebben zo wel hun eigenaardigheden. Toen ze er net waren aten ze het brood van Willem van de Technische Dienst zo uit zijn fietstas of uit z'n bureaula. Koekjes en ander lekkers op het terras van het museumcafé bleken ook niet veilig te zijn.
Nu is dat allemaal veiliggesteld en zijn we al aardig aan de dieren gewend. Stel je echter weer eens wat anders tentoon op het buitenterrein, bijvoorbeeld grote foto's voor het Fotofestival Naarden, blijkt dat ze de houten stellages van die foto's heerlijke ruggeschuurders vinden! De foto's overleefden deze aanvallen maar ternauwernood.
Heel anders, maar ook natuur zijn vleermuizen. Geen fort in de Waterlinie is fan van deze beestjes. Door hun kwetsbaarheid tijdens de winterslaap maken ze het fortbeheerders erg moeilijk iets te organiseren in de onderkomens waar ze de winter doorbrengen. Wij hebben op Bastion Turfpoort geen vleermuizen, maar ik had niet gedacht dat ik ze bijna zou missen. Als thema van de opening van het Fortenseizoen werden in april de vleermuizen in stelling gebracht. In het Vestingmuseum werden dat plastic exemplaren, bij gebrek aan beestjes van vlees en bloed. Maar wat schetst de verbazing dat ze erg populair blijken te zijn bij kinderen. De Vleermuizenspeurtocht liep als een trein en tot aan het einde van de Meivakantie hebben we die er maar in gehouden.
Tenslotte het museum in het voorjaar. Omdat we zo'n drie jaar geleden met het begrazen met de geiten zijn begonnen en we niet (of nauwelijks) meer grasmaaien, is de grondsamenstelling van het bastion er behoorlijk op vooruit gegaan. In plaats van grasmaaien en het geknipte gras afvoeren (zoals voorheen gebeurde en nog steeds op andere delen van de vesting), eten de geiten gras en andere aanplant. In ruil daarvoor bemesten ze het terrein en woelen het met hun hoeven enigszins om. De begroeiing van het bastion is daarmee veel rijker geworden en zo met de komst van het voorjaar zie je een weelde aan planten en bloemen ontluiken op het museum. Ik moet zeggen dat dat wel een extra charme aan ons museum geeft. Zeg nou zelf, welk museum heeft zulke fraaie onderkomens voor de exposities en ook nog eens een fraai begroeid dak waaronder al dat moois te zien is.
Abonneren op:
Posts (Atom)