Een paar weken geleden, een mooie zomeravond na de opening van een expositie. Wandelend door Naarden liepen we langs bastion Oud Molen, het gedeelte van de vesting waarop 'Het Arsenaal' van Jan des Bouvrie ligt. Ik wilde de daarachter gelegen kazerne Oud Molen laten zien, een prachtig, maar goed verborgen gebouw in de vesting. Vandaar was het een kleine stap de kazerne zelf op voor een schitterend uitzicht over de stad op dakhoogte, je waant je eeuwen terug in de tijd!
Daar staande besloten we tot een avondwandeling over de wallen. Dat bleek uit te draaien op een ware jungle expeditie, een tocht van epische proporties! Zonder klewang of kapmes kom je niet ver op een groot deel van de vesting, een merkwaardige gewaarwording als je weet met welke aandacht, zorg en tegen welke kosten de vestingwerken in authentieke staat worden gehouden door het Rijk.
Blijkbaar zit er een groot verschil tussen de grote restauratieprojecten en het dagelijks onderhoud en maaiwerk.
Aan de ene kant jammer omdat je zo feitelijk alleen de vesting kan bewonderen door er aan de buitenkant omheen te wandelen of door een vaartocht over de vestinggracht te maken. Je zou willen dat 's Rijks grootste monument (zeker in oppervlakte en ook wel in het aantal bakstenen) de zo verdiende aandacht en waardering van het publiek krijgt.
Aan de andere kant heeft het ook wel iets verleidelijks om die vesting voor jezelf te hebben en een select groepje andere liefhebbers. Een verborgen parel in het ruige groen. Je moet er misschien ook niet aan denken dat het een gladgeschoren parklandschap zou zijn, met aangeharkte schelpenpaadjes, waarschuwingsbordjes niet op het gras te lopen, overal bankjes en vuilnisbakken, kortom volkomen vertrut.
Dus zolang dat nog niet het geval is zou ik zeggen, kom naar Naarden, neem je wandelschoenen mee, een stevige stok, water voor onderweg en geniet van "Expeditie Naarden", maar vertel het niet teveel anderen.........
dinsdag 22 september 2009
woensdag 12 augustus 2009
De figuurlijke vesting
Gisteravond vond de opening van de World Press Photo tentoonstelling in de Grote Kerk van Naarden plaats. Naast het tweejaarlijkse Foto Festival Naarden is de expositie van de World Press Photo een tweede uiting binnen het thema "Naarden, Fotostad". Sprekers als Pieter Broertjes (Volkskrant), Martin Trampe (Canon Nederland) en Sacha de Boer (die als fotografe de expositie opende) hadden het over de bedreigingen waaronder de fotojournalistiek tegenwoordig werkt: minder geld vanuit de gedrukte media en oprukkende amateurs die met hun mobieltje actueel nieuws vastleggen en deze beelden tegen geringe kosten bij de media aanbieden.
Fotojournalistiek en een vrije pers zijn belangrijke mechanismen in een democratie en het dus waard beschermd te worden.
Dat zette mij aan het denken over de positie van Naarden als vestingstad. De vesting in letterlijke zin heeft al zo'n twee eeuwen afgedaan. In 1813-1814 hebben de vestingwerken van Naarden voor het laatst actief dienst gedaan. Weliswaar gebruikt door de Franse troepen van Napoleon die de Hollanders buiten wilde houden, maar er was toch een zwaar en langdurig beleg voor nodig om hen de stad uit te krijgen. Gelukkig is de vesting tijdens de Eerste of Tweede Wereldoorlog niet meer in actie geweest. Er was dan waarschijnlijk weinig van over gebleven!
Toch zou je kunnen zeggen dat de functie van de vesting als verdedigingsmiddel tegen bedreigingen nog niet helemaal hoeft te verdwijnen. In de loop der eeuwen zie je dat bescherming en veredediging van lokaal (motteburcht, kasteel) naar regionaal (vestingsteden, linies), landelijk (een Grebbelinie of de Nieuwe Hollandse Waterlinie) en zelfs continentaal is gegaan (de Duitse Atlantikwall die van Noorwegen tot de Spaanse grens Europa moest beschermen). Vandaag de dag is de fysieke functie van deze verdedigingswerken overgenomen door virtuele linies. IT-systemen, irisscans, paspoorten met RFID chips, CCTV systemen en dergelijke moeten ons beschermen tegen criminaliteit en terrorisme. Bescherming is het fysieke ontstegen.
Voor het niet-fysieke is bescherming echter onverminderd belangrijk. Naarden verenigd meerdere onderwerpen binnen de wallen die samen symbool kunnen staan voor bescherming door de "figuurlijke vesting": Comenius en het Comeniusmuseum staan voor verspreiding van kennis, voor bescherming tegen onwetendheid; het Vestingmuseum brengt het verhaal van de fysieke bescherming van burgers en het land maar ook dat van de bescherming van monumenten en gebouwd erfgoed; Naarden Fotostad staat voor het vrije beeld, het verhaal dat een goede persfoto kan vertellen en de kracht van de vrije pers. Samen maken deze onderwerpen Naarden tot een figuurlijke vesting. De vesting waar het vrije woord, het vrije beeld en de bescherming van erfgoed centraal staan.
Met dat thema kan Naarden zich onderscheiden en profileren, naar de buitenwereld, van bezoekers tot bedrijven en van politiek tot media.
Fotojournalistiek en een vrije pers zijn belangrijke mechanismen in een democratie en het dus waard beschermd te worden.
Dat zette mij aan het denken over de positie van Naarden als vestingstad. De vesting in letterlijke zin heeft al zo'n twee eeuwen afgedaan. In 1813-1814 hebben de vestingwerken van Naarden voor het laatst actief dienst gedaan. Weliswaar gebruikt door de Franse troepen van Napoleon die de Hollanders buiten wilde houden, maar er was toch een zwaar en langdurig beleg voor nodig om hen de stad uit te krijgen. Gelukkig is de vesting tijdens de Eerste of Tweede Wereldoorlog niet meer in actie geweest. Er was dan waarschijnlijk weinig van over gebleven!
Toch zou je kunnen zeggen dat de functie van de vesting als verdedigingsmiddel tegen bedreigingen nog niet helemaal hoeft te verdwijnen. In de loop der eeuwen zie je dat bescherming en veredediging van lokaal (motteburcht, kasteel) naar regionaal (vestingsteden, linies), landelijk (een Grebbelinie of de Nieuwe Hollandse Waterlinie) en zelfs continentaal is gegaan (de Duitse Atlantikwall die van Noorwegen tot de Spaanse grens Europa moest beschermen). Vandaag de dag is de fysieke functie van deze verdedigingswerken overgenomen door virtuele linies. IT-systemen, irisscans, paspoorten met RFID chips, CCTV systemen en dergelijke moeten ons beschermen tegen criminaliteit en terrorisme. Bescherming is het fysieke ontstegen.
Voor het niet-fysieke is bescherming echter onverminderd belangrijk. Naarden verenigd meerdere onderwerpen binnen de wallen die samen symbool kunnen staan voor bescherming door de "figuurlijke vesting": Comenius en het Comeniusmuseum staan voor verspreiding van kennis, voor bescherming tegen onwetendheid; het Vestingmuseum brengt het verhaal van de fysieke bescherming van burgers en het land maar ook dat van de bescherming van monumenten en gebouwd erfgoed; Naarden Fotostad staat voor het vrije beeld, het verhaal dat een goede persfoto kan vertellen en de kracht van de vrije pers. Samen maken deze onderwerpen Naarden tot een figuurlijke vesting. De vesting waar het vrije woord, het vrije beeld en de bescherming van erfgoed centraal staan.
Met dat thema kan Naarden zich onderscheiden en profileren, naar de buitenwereld, van bezoekers tot bedrijven en van politiek tot media.
vrijdag 19 juni 2009
Nationaal Historisch Museum, waar? Naarden natuurlijk!
Naarden, de onbekendste bekende cultuurstad van Noord-Holland. Onbekend bekend, want vraag je een willekeurige Nederlander of hij of zij Naarden kent, dan zal hij waarschijnlijk meteen roepen “Het Arsenaal, Jan des Bouvrie!”. Of de Mattheuspassion, in de Grote Kerk, daar waar het kabinet altijd op de eerste rij zit. Of noemt hij het Fotofestival, een evenement van formaat. Daar kent men Naarden wel van.
De vesting echter, dat blijft een echt onbekend bekend fenomeen.
Vrijwel dagelijks komen we hier op het museum mensen tegen die zeggen “ik had er wel eens van gehoord, van die vesting, maar dat het zo mooi is, dat wist ik niet!”
Voor ons op het museum natuurlijk prachtig om te horen, maar het is een boodschap die een bredere verspreiding verdiend. Want Naarden heeft zoveel Vaderlandse geschiedenis aan zich voorbij zien trekken op zo'n compact oppervlak, dat je het veel bediscussieerde Nationaal Historisch Museum gewoon in Naarden zou moeten vestingen!
Want wat hebben we hier allemaal gehad? De Hoekse en Kabeljouwse twisten speelden zich ook in deze omgeving af. De 80-Jarige Oorlog klopte bloedig op de poorten van Naarden, de hele bevolking werd door de Spanjaarden uitgemoord. Daarna werd een eerste vesting gebouwd om Amsterdam tegen aanvallen uit het Oosten te beschermen, een soort Stelling voor Amsterdam avant la lettre eigenlijk.
Hoewel hij hier niet werkte, ligt de befaamde educator Comenius wel in Naarden begraven. Het beroemde, beruchte Rampjaar 1672, wie vergeet dat jaartal ooit nog, wel, dat Rampjaar beleefde een dramatisch hoogtepunt hier in Naarden. De Franse legers van de Zonnekoning, Lodewijk XIV, namen Naarden in 1672 in. Een aantal maanden later wist stadhouder Willem III (de latere koning van Engeland) met behulp van het zojuist opgerichte korps Mariniers, de vesting te heroveren.
In de Napoleontische tijd zaten hier weer Franse troepen, nu soldaten van Napoleon. De kleine veldheer was zelf in 1811 naar de verdediging van Amsterdam komen kijken en had de lunch gebruikt in Naarden, ook toen al blijkbaar beroemd om haar culinaire kwaliteiten.
Twee jaar later moest er weer zwaar gevochten worden om zijn manschappen de vesting uit te jagen. Ze weigerden Naarden te verlaten na de nederlaag van Napoleon in de Volkerenslag van Leipzig. Cornelis Kraijenhoff, de latere bedenker en ontwerper van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, voerde de Nederlandse troepen aan in het beleg van Naarden in 1813 – 1814.
Daarna werd het qua krijgsgewoel gelukkig rustiger in de vesting. In 1870 en 1914 - 1918 werd de vesting nog wel aangepast aan de ontwikkelingen in militaire techniek, gelukkig was strijd in en om de vesting niet nodig.
Pas in 1926 ontstond er weer rumoer, nu niet vanwege oorlogshandelingen, maar omdat na opheffing van de vestingstatus men dreigde de vestingwerken te zullen slopen. In Naarden wilde men de wallen in de gracht schuiven en zo Naarden tot een 'normale' stad in het Gooi maken, zoals Blaricum en Laren. De Stichting Menno van Coehoorn, hoeder van het militair-historisch erfgoed, wist dit echter te voorkomen in een lobby richting de Tweede Kamer. Daarmee had Naarden weer een primeur, één van de eerste beschermde monumenten van het land.
In recente jaren kreeg Naarden het designcentrum van Jandes Bouvrie in het Arsenaal en in het fraaie stadhuis werd inmdidels al menig Oranje huwelijk voltrokken.
Tel je dit alles bij elkaar op, dan is maar één conclusie mogelijk: het Nationaal Historisch Museum hoort in Naarden te staan!
De vesting echter, dat blijft een echt onbekend bekend fenomeen.
Vrijwel dagelijks komen we hier op het museum mensen tegen die zeggen “ik had er wel eens van gehoord, van die vesting, maar dat het zo mooi is, dat wist ik niet!”
Voor ons op het museum natuurlijk prachtig om te horen, maar het is een boodschap die een bredere verspreiding verdiend. Want Naarden heeft zoveel Vaderlandse geschiedenis aan zich voorbij zien trekken op zo'n compact oppervlak, dat je het veel bediscussieerde Nationaal Historisch Museum gewoon in Naarden zou moeten vestingen!
Want wat hebben we hier allemaal gehad? De Hoekse en Kabeljouwse twisten speelden zich ook in deze omgeving af. De 80-Jarige Oorlog klopte bloedig op de poorten van Naarden, de hele bevolking werd door de Spanjaarden uitgemoord. Daarna werd een eerste vesting gebouwd om Amsterdam tegen aanvallen uit het Oosten te beschermen, een soort Stelling voor Amsterdam avant la lettre eigenlijk.
Hoewel hij hier niet werkte, ligt de befaamde educator Comenius wel in Naarden begraven. Het beroemde, beruchte Rampjaar 1672, wie vergeet dat jaartal ooit nog, wel, dat Rampjaar beleefde een dramatisch hoogtepunt hier in Naarden. De Franse legers van de Zonnekoning, Lodewijk XIV, namen Naarden in 1672 in. Een aantal maanden later wist stadhouder Willem III (de latere koning van Engeland) met behulp van het zojuist opgerichte korps Mariniers, de vesting te heroveren.
In de Napoleontische tijd zaten hier weer Franse troepen, nu soldaten van Napoleon. De kleine veldheer was zelf in 1811 naar de verdediging van Amsterdam komen kijken en had de lunch gebruikt in Naarden, ook toen al blijkbaar beroemd om haar culinaire kwaliteiten.
Twee jaar later moest er weer zwaar gevochten worden om zijn manschappen de vesting uit te jagen. Ze weigerden Naarden te verlaten na de nederlaag van Napoleon in de Volkerenslag van Leipzig. Cornelis Kraijenhoff, de latere bedenker en ontwerper van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, voerde de Nederlandse troepen aan in het beleg van Naarden in 1813 – 1814.
Daarna werd het qua krijgsgewoel gelukkig rustiger in de vesting. In 1870 en 1914 - 1918 werd de vesting nog wel aangepast aan de ontwikkelingen in militaire techniek, gelukkig was strijd in en om de vesting niet nodig.
Pas in 1926 ontstond er weer rumoer, nu niet vanwege oorlogshandelingen, maar omdat na opheffing van de vestingstatus men dreigde de vestingwerken te zullen slopen. In Naarden wilde men de wallen in de gracht schuiven en zo Naarden tot een 'normale' stad in het Gooi maken, zoals Blaricum en Laren. De Stichting Menno van Coehoorn, hoeder van het militair-historisch erfgoed, wist dit echter te voorkomen in een lobby richting de Tweede Kamer. Daarmee had Naarden weer een primeur, één van de eerste beschermde monumenten van het land.
In recente jaren kreeg Naarden het designcentrum van Jandes Bouvrie in het Arsenaal en in het fraaie stadhuis werd inmdidels al menig Oranje huwelijk voltrokken.
Tel je dit alles bij elkaar op, dan is maar één conclusie mogelijk: het Nationaal Historisch Museum hoort in Naarden te staan!
dinsdag 9 juni 2009
Forten, vleermuizen en andere zaken uit de natuur
Dan begin je een jaar of vijf geleden als museumdirecteur en denk je dat het allemaal draait om exposities, catalogi, lezingen, educatie en meer van die typische museumonderwerpen. En voor je er erg in hebt, sta je in de werkplaats van het museum met al je kracht een bok in toom te houden die een injectie met ontwormingsmiddel moet krijgen!
Natuurlijk is het Vestingmuseum een erg groen museum, een soort openluchtmuseum bijna. Naast de ondergrondse kazematten met hun specifieke problematiek van metselwerk, vocht, verlichting en dergelijke, kent het grote, groene buitenterrein zijn eigen aanpak. In de eerste jaren werd het gras bijvoorbeeld gemaaid door een hoveniersbedrijf, ingehuurd door de terreineigenaar, de Rijksgebouwendienst. Vanwege bezuinigingen moesten we zelf voor het maaien van dat gras gaan zorgen en na mislukte experimenten met werkervaringsplaatsen en taakgestraften kwamen we uit op een zeer natuurlijke vorm van groenbeheer, het begrazen met Oud-Hollandsche landgeiten.
Nou zijn dat leuke beesten en ze werken hard en gestaag door (je hoort ze nooit klagen dat ze nu alweer moeten overwerken!), ze hebben zo wel hun eigenaardigheden. Toen ze er net waren aten ze het brood van Willem van de Technische Dienst zo uit zijn fietstas of uit z'n bureaula. Koekjes en ander lekkers op het terras van het museumcafé bleken ook niet veilig te zijn.
Nu is dat allemaal veiliggesteld en zijn we al aardig aan de dieren gewend. Stel je echter weer eens wat anders tentoon op het buitenterrein, bijvoorbeeld grote foto's voor het Fotofestival Naarden, blijkt dat ze de houten stellages van die foto's heerlijke ruggeschuurders vinden! De foto's overleefden deze aanvallen maar ternauwernood.
Heel anders, maar ook natuur zijn vleermuizen. Geen fort in de Waterlinie is fan van deze beestjes. Door hun kwetsbaarheid tijdens de winterslaap maken ze het fortbeheerders erg moeilijk iets te organiseren in de onderkomens waar ze de winter doorbrengen. Wij hebben op Bastion Turfpoort geen vleermuizen, maar ik had niet gedacht dat ik ze bijna zou missen. Als thema van de opening van het Fortenseizoen werden in april de vleermuizen in stelling gebracht. In het Vestingmuseum werden dat plastic exemplaren, bij gebrek aan beestjes van vlees en bloed. Maar wat schetst de verbazing dat ze erg populair blijken te zijn bij kinderen. De Vleermuizenspeurtocht liep als een trein en tot aan het einde van de Meivakantie hebben we die er maar in gehouden.
Tenslotte het museum in het voorjaar. Omdat we zo'n drie jaar geleden met het begrazen met de geiten zijn begonnen en we niet (of nauwelijks) meer grasmaaien, is de grondsamenstelling van het bastion er behoorlijk op vooruit gegaan. In plaats van grasmaaien en het geknipte gras afvoeren (zoals voorheen gebeurde en nog steeds op andere delen van de vesting), eten de geiten gras en andere aanplant. In ruil daarvoor bemesten ze het terrein en woelen het met hun hoeven enigszins om. De begroeiing van het bastion is daarmee veel rijker geworden en zo met de komst van het voorjaar zie je een weelde aan planten en bloemen ontluiken op het museum. Ik moet zeggen dat dat wel een extra charme aan ons museum geeft. Zeg nou zelf, welk museum heeft zulke fraaie onderkomens voor de exposities en ook nog eens een fraai begroeid dak waaronder al dat moois te zien is.
Natuurlijk is het Vestingmuseum een erg groen museum, een soort openluchtmuseum bijna. Naast de ondergrondse kazematten met hun specifieke problematiek van metselwerk, vocht, verlichting en dergelijke, kent het grote, groene buitenterrein zijn eigen aanpak. In de eerste jaren werd het gras bijvoorbeeld gemaaid door een hoveniersbedrijf, ingehuurd door de terreineigenaar, de Rijksgebouwendienst. Vanwege bezuinigingen moesten we zelf voor het maaien van dat gras gaan zorgen en na mislukte experimenten met werkervaringsplaatsen en taakgestraften kwamen we uit op een zeer natuurlijke vorm van groenbeheer, het begrazen met Oud-Hollandsche landgeiten.
Nou zijn dat leuke beesten en ze werken hard en gestaag door (je hoort ze nooit klagen dat ze nu alweer moeten overwerken!), ze hebben zo wel hun eigenaardigheden. Toen ze er net waren aten ze het brood van Willem van de Technische Dienst zo uit zijn fietstas of uit z'n bureaula. Koekjes en ander lekkers op het terras van het museumcafé bleken ook niet veilig te zijn.
Nu is dat allemaal veiliggesteld en zijn we al aardig aan de dieren gewend. Stel je echter weer eens wat anders tentoon op het buitenterrein, bijvoorbeeld grote foto's voor het Fotofestival Naarden, blijkt dat ze de houten stellages van die foto's heerlijke ruggeschuurders vinden! De foto's overleefden deze aanvallen maar ternauwernood.
Heel anders, maar ook natuur zijn vleermuizen. Geen fort in de Waterlinie is fan van deze beestjes. Door hun kwetsbaarheid tijdens de winterslaap maken ze het fortbeheerders erg moeilijk iets te organiseren in de onderkomens waar ze de winter doorbrengen. Wij hebben op Bastion Turfpoort geen vleermuizen, maar ik had niet gedacht dat ik ze bijna zou missen. Als thema van de opening van het Fortenseizoen werden in april de vleermuizen in stelling gebracht. In het Vestingmuseum werden dat plastic exemplaren, bij gebrek aan beestjes van vlees en bloed. Maar wat schetst de verbazing dat ze erg populair blijken te zijn bij kinderen. De Vleermuizenspeurtocht liep als een trein en tot aan het einde van de Meivakantie hebben we die er maar in gehouden.
Tenslotte het museum in het voorjaar. Omdat we zo'n drie jaar geleden met het begrazen met de geiten zijn begonnen en we niet (of nauwelijks) meer grasmaaien, is de grondsamenstelling van het bastion er behoorlijk op vooruit gegaan. In plaats van grasmaaien en het geknipte gras afvoeren (zoals voorheen gebeurde en nog steeds op andere delen van de vesting), eten de geiten gras en andere aanplant. In ruil daarvoor bemesten ze het terrein en woelen het met hun hoeven enigszins om. De begroeiing van het bastion is daarmee veel rijker geworden en zo met de komst van het voorjaar zie je een weelde aan planten en bloemen ontluiken op het museum. Ik moet zeggen dat dat wel een extra charme aan ons museum geeft. Zeg nou zelf, welk museum heeft zulke fraaie onderkomens voor de exposities en ook nog eens een fraai begroeid dak waaronder al dat moois te zien is.
woensdag 27 mei 2009
Salarissen, publieke omroep en de Balkenende norm
De vraag of het acceptabel is om een aantal mensen binnen de publieke omroep salarissen te betalen die ver boven de Balkenende norm liggen, is er een over kwaliteit en schaarste in het publieke domein.
Op zich is het prima dat mensen met talenten die schaars zijn en waar veel vraag naar is, ook veel mogen vragen voor het aanwenden van hun talenten. Dat zie je dagelijks in de betaalde voetballerij, bij acteurs, autocoureurs en topmensen in het bedrijfsleven. De markt bepaald de vraag en daarmee een bijpassende beloning.
In de actuele discussie over salarissen van een aantal presentatoren en omroepmensen die binnen het publieke bestel werken, gaat het echter vooral over de vraag of vanuit het algemeen belang (de Nederlander als belastingbetaler) zulke salarissen acceptabel zijn.
In een veelheid aan sectoren die zich ook geheel of gedeeltelijk binnen dat publieke domein bevinden, werken vele mensen met een bovengemiddeld talent die de keuze hebben gemaakt dat werk te doen voor een goed, maar niet overdadig salaris. Zo heeft een officier van justitie de keuze om buiten het Openbaar Ministerie in de advocatuur te gaan werken en daar een wellicht veel hoger salaris te gaan verdienen en dat doen sommigen van hen ook, maar anderen maken een afweging de publieke zaak te willen dienen en nemen genoegen met een lagere beloning.
Iets soortgelijks gaat op voor vliegers bij de Luchtmacht. Die kunnen bij de KLM of een andere luchtvaartmaatschappij gaan vliegen tegen een aanzienlijk hoger salaris en toch kiezen veel Luchtmachtvliegers ervoor in hun F-16, Hercules of Apache te blijven vliegen omdat werken bij de Luchtmacht hen een ander soort voldoening geeft.
Zo zou je de beloningen binnen de Publieke Omroep ook kunnen zien. Als salarissen daar binnen de grenzen van de Balkenende norm blijven, hebben presentatoren de keuze naar de commerciële omroepen te gaan en daar een vrije markt salaris te verdienen. De vraag is of ze dan de programma's mogen of kunnen maken die binnen het publieke bestel mogelijk zijn, maar dat is dan de afweging die zij moeten maken. Opmerkingen dat ze zich “opstoken voor de publieke zaak” zijn mijns inziens lichtelijk overdreven. Menig (semi) ambtenaar werkt voor heel wat minder geld en in minder 'leuke' beroepen en stookt zichzelf aardig op voor de publieke zaak, zoals bijvoorbeeld leraren of brandweermensen. Bovendien hoeven die presentatoren niet binnen dat publieke bestel te werken, ze zijn vrij om naar de commerciële collega's te gaan.
“Maar dan verliezen we al dat talent bij de publieke omroep!” Dat lijkt een heel valide argument, toch vraag ik me af hoeveel opkomend talent er niet klaar staat om de vrijgekomen plaatsen in te nemen. Het zou me verbazen als er geen mensen met talent te vinden zijn die binnen het publieke bestel willen werken voor een 'publiek' salaris. Binnen eerder genoemde sectoren als het Openbaar Ministerie, Defensie of in een sector als de museumwereld (mijn eigen werkveld) werken zeer capabele en soms zelf bovenmatig getalenteerde mensen die tevreden zijn met een heel redelijk (en soms zelf een onredelijk) salaris.
Je zou zelfs kunnen redeneren dat de duurbetaalde presentatoren als een soort 'stop' fungeren binnen de publieke omroep. Aanstormend talent krijgt doordat er aan de top geen doorstroming is, minder ruimte om te laten zien wat ze kunnen. En als die talenten weer vinden dat ze zo uniek geworden zijn dat ze buiten het normale salarishuis betaald moeten gaan worden, kunnen ook zij kiezen voor voortzetting binnen een commerciële carrière.
De vraag is dus of onze omroep, onze televisiewereld zoveel armer zou worden met salarissen binnen de Balkenende norm.
Op zich is het prima dat mensen met talenten die schaars zijn en waar veel vraag naar is, ook veel mogen vragen voor het aanwenden van hun talenten. Dat zie je dagelijks in de betaalde voetballerij, bij acteurs, autocoureurs en topmensen in het bedrijfsleven. De markt bepaald de vraag en daarmee een bijpassende beloning.
In de actuele discussie over salarissen van een aantal presentatoren en omroepmensen die binnen het publieke bestel werken, gaat het echter vooral over de vraag of vanuit het algemeen belang (de Nederlander als belastingbetaler) zulke salarissen acceptabel zijn.
In een veelheid aan sectoren die zich ook geheel of gedeeltelijk binnen dat publieke domein bevinden, werken vele mensen met een bovengemiddeld talent die de keuze hebben gemaakt dat werk te doen voor een goed, maar niet overdadig salaris. Zo heeft een officier van justitie de keuze om buiten het Openbaar Ministerie in de advocatuur te gaan werken en daar een wellicht veel hoger salaris te gaan verdienen en dat doen sommigen van hen ook, maar anderen maken een afweging de publieke zaak te willen dienen en nemen genoegen met een lagere beloning.
Iets soortgelijks gaat op voor vliegers bij de Luchtmacht. Die kunnen bij de KLM of een andere luchtvaartmaatschappij gaan vliegen tegen een aanzienlijk hoger salaris en toch kiezen veel Luchtmachtvliegers ervoor in hun F-16, Hercules of Apache te blijven vliegen omdat werken bij de Luchtmacht hen een ander soort voldoening geeft.
Zo zou je de beloningen binnen de Publieke Omroep ook kunnen zien. Als salarissen daar binnen de grenzen van de Balkenende norm blijven, hebben presentatoren de keuze naar de commerciële omroepen te gaan en daar een vrije markt salaris te verdienen. De vraag is of ze dan de programma's mogen of kunnen maken die binnen het publieke bestel mogelijk zijn, maar dat is dan de afweging die zij moeten maken. Opmerkingen dat ze zich “opstoken voor de publieke zaak” zijn mijns inziens lichtelijk overdreven. Menig (semi) ambtenaar werkt voor heel wat minder geld en in minder 'leuke' beroepen en stookt zichzelf aardig op voor de publieke zaak, zoals bijvoorbeeld leraren of brandweermensen. Bovendien hoeven die presentatoren niet binnen dat publieke bestel te werken, ze zijn vrij om naar de commerciële collega's te gaan.
“Maar dan verliezen we al dat talent bij de publieke omroep!” Dat lijkt een heel valide argument, toch vraag ik me af hoeveel opkomend talent er niet klaar staat om de vrijgekomen plaatsen in te nemen. Het zou me verbazen als er geen mensen met talent te vinden zijn die binnen het publieke bestel willen werken voor een 'publiek' salaris. Binnen eerder genoemde sectoren als het Openbaar Ministerie, Defensie of in een sector als de museumwereld (mijn eigen werkveld) werken zeer capabele en soms zelf bovenmatig getalenteerde mensen die tevreden zijn met een heel redelijk (en soms zelf een onredelijk) salaris.
Je zou zelfs kunnen redeneren dat de duurbetaalde presentatoren als een soort 'stop' fungeren binnen de publieke omroep. Aanstormend talent krijgt doordat er aan de top geen doorstroming is, minder ruimte om te laten zien wat ze kunnen. En als die talenten weer vinden dat ze zo uniek geworden zijn dat ze buiten het normale salarishuis betaald moeten gaan worden, kunnen ook zij kiezen voor voortzetting binnen een commerciële carrière.
De vraag is dus of onze omroep, onze televisiewereld zoveel armer zou worden met salarissen binnen de Balkenende norm.
maandag 25 mei 2009
Naarden, fotostad
Elke twee jaar is Naarden even het foto-middelpunt van Nederland. Dan speelt zich binnen de wallen van Naarden het "Foto Festival Naarden" af, een evenement waarbij overal in de stad fotografie te zien en te beleven valt.
Het Vestingmuseum heeft de afgelopen aflevering (2007) als onderdeel van het officiële festival meegedaan, nadat het in 2005 onderdeel van het OFF (niet officiële) festival was.
Gedurende de maand van het festival bezoeken zo'n 40.000 fotoliefhebbers de vesting en voor het Vestingmuseum is het ook een leuke opsteker om daarvan zo'n 2.500 tot 3.000 bezoekers binnen te halen met een foto-tentoonstelling.
Jammer genoeg konden we dit jaar geen deel uit maken van het echte Foto Festival Naarden omdat de organisatie had besloten het festival kleiner te maken en anders te organiseren.
Niet getreurd en met drie foto-exposities in huis hebben we toch heel wat aardigs in huis voor de fotoliefhebber: fotoclub Argentum uit het Gooi met overzichtswerk van hun leden met een nieuwe blik op Naarden, guerrilla galerie SEELEVEL uit Amsterdam met een expositie van jonge fotografen en een expositie van Anneloes Bakker die vorig jaar een opdracht van het museum had gekregen om details van de vestingwerken vast te leggen onder de titel "Up close and personal".

Op 16 mei, een dag na de opening van het "echte" Foto Festival ging ook ons drieluik open, een erg gezellige bijeenkomst.
Jammer genoeg begon diezelfde dag al de grote verwarring bij het fotominnend publiek omdat voor hen niet duidelijk is wat bij het officiële festival hoort en wat bij het OFF, niet officiële, deel.
Bij het Vestingmuseum moet je gewoon een entreekaartje kopen (5,50 voor volwassenen) en krijgen de houders van een Foto Festival passepartout een royale korting van 3 euro naar een entreeprijs van 2,50! Toch is er veel onduidelijkheid en onbegrip bij het publiek. Van de 85 bezoekers op die eerste zaterdag gaan er zeker 65 mopperend weer weg "nu hebben we al veel geld voor een passepartout betaald (35,- euro voor de maandkaart en 15 euro voor een dagkaart) en dan moeten we hier weer betalen". Vanuit het publiek gezien begrijpelijk, vanuit het gezichtspunt van het museum ook. Ook hier moet de schoorsteen roken en om nu de festivalbezoekers voor niks naar binnen te laten.............
Om de festivalbezoekers tegemoet te komen hebben we nu maar besloten de passepartouthouders voor 1 euro toe te laten en dat zorgde meteen voor een ommekeer in de verhoudingen. Nu komt 80% van de festivalbezoekers (soms nog mopperend over die ene euro) wl binnen en draait nog maar 20% om. En ja, 80 x 1 euro is nog altijd meer dan 20 x 2,50...........
Toch blijft het onbevredigend en hoop ik dat we voor het Foto Festival 2011 een afspraak in Naarden kunnen maken om alle locaties die meedoen aan het Festival voor passepartouthouders vrij toegankelijk te kunnen maken.
Als je Naarden als gastvrije fotostad wilt aanprijzen is zoiets zeker van belang.
Het Vestingmuseum heeft de afgelopen aflevering (2007) als onderdeel van het officiële festival meegedaan, nadat het in 2005 onderdeel van het OFF (niet officiële) festival was.
Gedurende de maand van het festival bezoeken zo'n 40.000 fotoliefhebbers de vesting en voor het Vestingmuseum is het ook een leuke opsteker om daarvan zo'n 2.500 tot 3.000 bezoekers binnen te halen met een foto-tentoonstelling.
Jammer genoeg konden we dit jaar geen deel uit maken van het echte Foto Festival Naarden omdat de organisatie had besloten het festival kleiner te maken en anders te organiseren.
Niet getreurd en met drie foto-exposities in huis hebben we toch heel wat aardigs in huis voor de fotoliefhebber: fotoclub Argentum uit het Gooi met overzichtswerk van hun leden met een nieuwe blik op Naarden, guerrilla galerie SEELEVEL uit Amsterdam met een expositie van jonge fotografen en een expositie van Anneloes Bakker die vorig jaar een opdracht van het museum had gekregen om details van de vestingwerken vast te leggen onder de titel "Up close and personal".

Op 16 mei, een dag na de opening van het "echte" Foto Festival ging ook ons drieluik open, een erg gezellige bijeenkomst.
Jammer genoeg begon diezelfde dag al de grote verwarring bij het fotominnend publiek omdat voor hen niet duidelijk is wat bij het officiële festival hoort en wat bij het OFF, niet officiële, deel.
Bij het Vestingmuseum moet je gewoon een entreekaartje kopen (5,50 voor volwassenen) en krijgen de houders van een Foto Festival passepartout een royale korting van 3 euro naar een entreeprijs van 2,50! Toch is er veel onduidelijkheid en onbegrip bij het publiek. Van de 85 bezoekers op die eerste zaterdag gaan er zeker 65 mopperend weer weg "nu hebben we al veel geld voor een passepartout betaald (35,- euro voor de maandkaart en 15 euro voor een dagkaart) en dan moeten we hier weer betalen". Vanuit het publiek gezien begrijpelijk, vanuit het gezichtspunt van het museum ook. Ook hier moet de schoorsteen roken en om nu de festivalbezoekers voor niks naar binnen te laten.............
Om de festivalbezoekers tegemoet te komen hebben we nu maar besloten de passepartouthouders voor 1 euro toe te laten en dat zorgde meteen voor een ommekeer in de verhoudingen. Nu komt 80% van de festivalbezoekers (soms nog mopperend over die ene euro) wl binnen en draait nog maar 20% om. En ja, 80 x 1 euro is nog altijd meer dan 20 x 2,50...........
Toch blijft het onbevredigend en hoop ik dat we voor het Foto Festival 2011 een afspraak in Naarden kunnen maken om alle locaties die meedoen aan het Festival voor passepartouthouders vrij toegankelijk te kunnen maken.
Als je Naarden als gastvrije fotostad wilt aanprijzen is zoiets zeker van belang.
woensdag 6 mei 2009
Studenten aan het werk
Vandaag weer eens ervaren hoe ontzettend leuk het kan zijn om met studenten te werken en dan helemaal met studenten die bijna aan het einde van hun studie zijn gekomen en richting betaalde baan of eigen bedrijfje gaan. Zowel bij het Museum voor Communicatie als bij Aviod(r)ome als nu in het Vestingmuseum heb ik dat meegemaakt.
Zeker in het Vestingmuseum is het een combinatie die voor beide partijen goed uit kan pakken. De student krijgt een eerste (betaalde) opdracht die de start van een portfolio aan uitgevoerd werk kan zijn, hij krijgt heel veel vrijheid om zijn creativiteit de vrije loop te laten (juist omdat ik er bijna niks voor betaal kan en wil ik er ook niet teveel bovenop zitten), het museum krijgt een zeer gemotiveerde opdrachtnemer die geen uurtje-factuurtje werkt en voor dat alles hoeft het museum niet vreselijk diep in de buidel te tasten (wat hier ook niet kan, want er zit bijna niks in die buidel).
In 2006 maakte Arnoud een viertal 'soundscapes' (soort hoorspelen) die de bezoeker meenam langs een viertal diorama's in het museum. Ik had geen geld om daar hele fraaie (en ook heel kostbare) multimediapresentaties voor te laten maken. Daarbij is geluid een stuk goedkoper, zowel om te maken als qua apparatuur en minder onderhoudsgevoelig. Een ander groot voordeel van geluid is dat het je fantasie volgens mij beter prikkelt dan beeld. Bij geluiden ga je zelf beelden bedenken, als het beeld er al bij is hoef je dat dus niet meer te doen.
De vier hoorspelen die Arnoud maakte sloegen goed aan bij het publiek. Het is een soort soap in vier delen waarbij zich in de kruitkamer een explosie voordoet en de sergeant Pelder gewond raakt. Zijn collega's in het wachtlokaal vertellen elkaar erover en de adjudant van de kruitkamer moet bij de commandant op rapport komen. In het ziekenzaaltje bespreken de dokter en een verpleger de verwondingen van Pelder. Je kan zo een boel informatie kwijt zonder dat het als erg belerend overkomt en het nog grappig maken ook.
Het was Arnouds eerste klus na het afstuderen aan de HKU (Hogeschool Kunsten Utrecht) en het begin van zijn bedrijf "De Auditieve Dienst". De kosten voor het museum weet ik zo niet meer, maar ze voldeden helemaal aan de "Regel van 80-20" die ik graag hanteer in dit museum. Als ik voor 20% van de kosten van een regulier bedrijf, 80% van het resultaat van zo'n professioneel bedrijf krijg, ben ik zeer tevreden. In dit geval lag het zelfs meer naar de 90% resultaat denk ik.
Zo ook vanmiddag. Op bezoek kwamen Wouter en Freek, master en bachelorstudent van de HKA. In het kader van hun afstudeeropdrachten gaan ze voor het Vestingmuseum één of meer educatieve 'spellen' of ervaringen ontwerpen. Wouter heeft vorig jaar al veel sounddesign in kazemat W (over de Waterlinies) gedaan, tot meer dan volle tevredenheid van mijn kant en in de samenwerking met Freek kunnen ze beiden nog veel meer laten zien.
Eerder van de week stuurden ze me een document met een tiental concepten van zeer originele opstellingen die in welk topmuseum dan ook niet zouden misstaan. Over twee van de toppers hebben we vanmiddag gsproken, hoe ze die in de komende twee maanden gaan uitwerken in een prototype. Als dat blijkt te werken in het huidige vestingmuseum, kunnen we voor het nieuwe vestingmuseum (klaar in 2011 - 2012?) een prachtig vormgegeven exemplaar bouwen.
Omdat het allemaal nog in de ontwerpfase is en natuurlijk zeer geheim, kan ik niet meer dan een tipje van de sluier(s) oplichten. Er komt een opstelling waarin het publiek kan meebeslissen over de ontwikkeling van Naarden in de 16e, 17e, 18e, 19e en 20e eeuw. Hoe neem je verstandige beslissingen? En wat zijn de consequenties daarvan voor de bevolking? Dat alles doen ze ook nog op basis van democratische principes en voila! daarmee je krijgt een exhibit die historische lessen leert en ook nog maatschappelijk van belang is.
Het meest plezier heb ik zo'n middag nog van de discussies over functie en taak van musea en welke rol dit soort exhibits, experiences, opstellingen en gadgets daarin kunnen en moeten (moeten?) spelen. Moet een museum altijd "leuk" zijn is zo'n punt waarover we het hebben. "Als het je maar iets doet" was mijn conclusie en hoeft en mag het soms zelfs niet leuk zijn. Wat de discussie vanmiddag overigens wel was.
Zeker in het Vestingmuseum is het een combinatie die voor beide partijen goed uit kan pakken. De student krijgt een eerste (betaalde) opdracht die de start van een portfolio aan uitgevoerd werk kan zijn, hij krijgt heel veel vrijheid om zijn creativiteit de vrije loop te laten (juist omdat ik er bijna niks voor betaal kan en wil ik er ook niet teveel bovenop zitten), het museum krijgt een zeer gemotiveerde opdrachtnemer die geen uurtje-factuurtje werkt en voor dat alles hoeft het museum niet vreselijk diep in de buidel te tasten (wat hier ook niet kan, want er zit bijna niks in die buidel).
In 2006 maakte Arnoud een viertal 'soundscapes' (soort hoorspelen) die de bezoeker meenam langs een viertal diorama's in het museum. Ik had geen geld om daar hele fraaie (en ook heel kostbare) multimediapresentaties voor te laten maken. Daarbij is geluid een stuk goedkoper, zowel om te maken als qua apparatuur en minder onderhoudsgevoelig. Een ander groot voordeel van geluid is dat het je fantasie volgens mij beter prikkelt dan beeld. Bij geluiden ga je zelf beelden bedenken, als het beeld er al bij is hoef je dat dus niet meer te doen.
De vier hoorspelen die Arnoud maakte sloegen goed aan bij het publiek. Het is een soort soap in vier delen waarbij zich in de kruitkamer een explosie voordoet en de sergeant Pelder gewond raakt. Zijn collega's in het wachtlokaal vertellen elkaar erover en de adjudant van de kruitkamer moet bij de commandant op rapport komen. In het ziekenzaaltje bespreken de dokter en een verpleger de verwondingen van Pelder. Je kan zo een boel informatie kwijt zonder dat het als erg belerend overkomt en het nog grappig maken ook.
Het was Arnouds eerste klus na het afstuderen aan de HKU (Hogeschool Kunsten Utrecht) en het begin van zijn bedrijf "De Auditieve Dienst". De kosten voor het museum weet ik zo niet meer, maar ze voldeden helemaal aan de "Regel van 80-20" die ik graag hanteer in dit museum. Als ik voor 20% van de kosten van een regulier bedrijf, 80% van het resultaat van zo'n professioneel bedrijf krijg, ben ik zeer tevreden. In dit geval lag het zelfs meer naar de 90% resultaat denk ik.
Zo ook vanmiddag. Op bezoek kwamen Wouter en Freek, master en bachelorstudent van de HKA. In het kader van hun afstudeeropdrachten gaan ze voor het Vestingmuseum één of meer educatieve 'spellen' of ervaringen ontwerpen. Wouter heeft vorig jaar al veel sounddesign in kazemat W (over de Waterlinies) gedaan, tot meer dan volle tevredenheid van mijn kant en in de samenwerking met Freek kunnen ze beiden nog veel meer laten zien.
Eerder van de week stuurden ze me een document met een tiental concepten van zeer originele opstellingen die in welk topmuseum dan ook niet zouden misstaan. Over twee van de toppers hebben we vanmiddag gsproken, hoe ze die in de komende twee maanden gaan uitwerken in een prototype. Als dat blijkt te werken in het huidige vestingmuseum, kunnen we voor het nieuwe vestingmuseum (klaar in 2011 - 2012?) een prachtig vormgegeven exemplaar bouwen.
Omdat het allemaal nog in de ontwerpfase is en natuurlijk zeer geheim, kan ik niet meer dan een tipje van de sluier(s) oplichten. Er komt een opstelling waarin het publiek kan meebeslissen over de ontwikkeling van Naarden in de 16e, 17e, 18e, 19e en 20e eeuw. Hoe neem je verstandige beslissingen? En wat zijn de consequenties daarvan voor de bevolking? Dat alles doen ze ook nog op basis van democratische principes en voila! daarmee je krijgt een exhibit die historische lessen leert en ook nog maatschappelijk van belang is.
Het meest plezier heb ik zo'n middag nog van de discussies over functie en taak van musea en welke rol dit soort exhibits, experiences, opstellingen en gadgets daarin kunnen en moeten (moeten?) spelen. Moet een museum altijd "leuk" zijn is zo'n punt waarover we het hebben. "Als het je maar iets doet" was mijn conclusie en hoeft en mag het soms zelfs niet leuk zijn. Wat de discussie vanmiddag overigens wel was.
Abonneren op:
Posts (Atom)