zondag 4 maart 2012

Samen wagen, samen winnen

In het voorjaar van 2011 deed ik mee aan een workshop van Erfgoed Nederland over Cultureel Ondernemen. Met een groep collega's uit musea, archieven en erfgoedinstellingen keken we hoe je je instelling beter in de markt zou kunnen zetten en met welke technieken je meer rendement zou kunnen genereren zonder je culturele missie geweld aan te doen.
Leuk, leerzaam, maar zoals vaker bij dit soort evenementen blijft het uit de aard der zaak wat theoretisch. Je kan natuurlijk ook moeilijk ondernemertje gaan spelen daar, jammer is het wel een beetje. In de marge van de workshop raakte ik aan de praat met een docent van de Reinwardt Academie die voor de museumacademie het ondernemerschap van de studenten moet gaan ontwikkelen. Nu had ik via via al eens gehoord van studenten van een toeristische opleiding (Hogeschool TIO) die een hotel over zouden nemen tijdens hun studie (later bleek dat een Stay Okay te zijn en iets genuanceerder dan de overname van de hele onderneming), maar het deed me wel denken of de Reinwardt studenten niet een week het Vestingmuseum zouden kunnen overnemen?!

Marjan Otter, de docent in kwestie op de workshop, voelde er meteen wel wat voor en in de loop van 2011 werden de plannen steeds concreter. Een sessie in het najaar met collega docenten en de directeur van de Academie zorgde voor het finale akkoord en daarmee kon de planning beginnen. Hoe zouden de studenten het museum kunnen overnemen? Welke taken kan je ze wel en welke ook beslist niet laten doen? Dit laatste was eigenlijk het makkelijkste: de boekhouding en administratie van het museum kan je ze niet laten overnemen, evenals de werkelijke technische klussen van de Technische Dienst. Maar verder vrijwel alles, van de directievoering tot alle uitvoerende werkzaamheden aan kassa's, entree, rondleidingen, PR en marketing en dergelijke.
Bij de inschrijfdag voor de minor "Cultureel Ondernemen" bleek de belangstelling overweldigend, bijna letterlijk overweldigend! Zo'n dertig studenten bleken zich te hebben aangemeld, in mijn ogen een veel te groot aantal, maar ja, we konden daarmee niet meer terug. Het was dus zaak een manier te vinden waarop die dertig mensen op een goede en zinvolle manier aan de slag zouden kunnen. Gelukkig bleek de gemeente Naarden ook mee te willen helpen en stelde kantoorruimte ter beschikking op het Stadskantoor. Daarmee was een grote belemmering weggenomen, die van de zeer beperkte fysieke ruimte op het kantoor van het Vestingmuseum. Met Marjan werd afgesproken dat naast alle uitvoerende taken, ook diverse onderdelen uit het takenpakket van de directeur opgeknipt zouden worden om tot goede werkpakketten te kunnen komen. Twee groepen zouden zich gaan buigen over beleid en research en daarmee de benodigde verdieping aan het programma geven. Met het uitwerken van een leuk programma van publieksactiviteiten stond niets de start van het experiment op 25 februari in de weg.



De week voor de start kneep ik hem wel moet ik zeggen. Op vakantie in Andalusië dook af en toe het spookbeeld van een chaotische week op waarin het museum onbeheersbaar zou worden, er totaal geen publiek zou komen of mijn collega's die in een onwerkbare situatie zouden komen te zitten. Gelukkig bleek het vanaf dag 1 (de opbouwdag 24 februari) op rolletje te lopen! De fototentoonstelling van mijn dochter Eva hing met een paar uur professioneel aan de wand, alle materiaal voor het kinderfort lag klaar en de partytent voor het vlagschilderen stond ook vrij snel. So far, so good. Vanaf dat moment ging het eigenlijk crescendo. De opening zondag liep vlot en was erg leuk, het publiek stroomde in grote aantallen toe en afgezien van wat inwerkprobleempjes bleken de studenten hun weg in en op het museum snel te vinden.
Iedereen had veel lol in het project, studenten (die het allemaal soms wel héél erg serieus namen), collega's, vrijwilligers en ook het bestuur van het museum die een groep studenten aan lieten schuiven bij de bestuursvergadering. Dat vroeg overigens wel wat van hun doorzettingsvermogen om na een hele dag publieksactiviteiten nog een avond door te halen tot 23.00 uur met beleid en veel, héél véél gepraat over geld in die vergadering.

De week sloot op 2 maart af met zo'n 800 bezoekers, een positief resultaat op de eigen begroting van de studenten, heel veel tevreden gezichten bij de kinderen die fort hadden gebouwd of vlag geschilderd en zeer positieve rapportages van de mysterie-guest die dagelijks langs was geweest. Voor de studenten een geslaagd experiment omdat ze werkelijk een week lang een museum hebben gerund, met alle frictie die daarbij komt kijken, voor het museum omdat we naast een mooi aantal bezoekers ook veel ideeën hebben opgedaan en nog een aantal plannen van de beleidsgroep en aanbevelingen van de researchgroep zullen krijgen en omdat we samen nog een weekend rond de Hemelvaart gaan doen. We hebben gewaagd en we hebben gewonnen! Voor hetzelfde geld waren we op onze bek gegaan, maar dat is nu eenmaal ondernemen, als je stil blijft zitten, krijg je zeker niets voor elkaar.

maandag 6 februari 2012

Gooi en Vecht, daar kan het echt!

Vanmiddag vergadering gehad met het bestuur van het RBT, Regionaal Bureau voor Toerisme Gooi & Vecht. Goeie plannen voor 2012, met veel toeristische initiatieven in de regio, maar met ook een zorg: hoe betrek je de ondernemers bij het RBT?
Zo'n Bureau voor Toerisme kan natuurlijk veel willen aanpakken, veel reclame maken, leuke fiets- en wandelroutes, layar-apps voor de watersport, VVV-info punten en meer van dat moois, als de locale ondernemers niet aanhaken blijft het bij een mooie verpakking. Misschien is het de vorige VVV-organisatie die niet erg (pro)actief was, misschien is het de crisis waardoor men minder geld beschikbaar heeft voor promotie en ik denk dat onbekendheid en koudwatervrees ook wel eens een rol kunnen spelen.
Wat is dat voor een club en wat krijg ik voor mijn centjes? Dat is hier te vinden. Voor de basisinstap van 150 euro p/j (135,- als je meteen voor twee jaar meedoet) krijg je al een enorme berg aan publiciteit en kan je je zaak via je lokale VVV promoten. Voor dat geld heb je nauwelijks een advertentie in een huis-aan-huisblad en daar zit een dag later alweer de vis in verpakt. Een no-brainer lijkt mij.



Alle andere activiteiten uit het partnerplan zijn weer erg afhankelijk van het soort bedrijf wat je hebt (micro websites voor smartphones, boekingscentrale, QR codes etc) maar zijn per stuk ook weer niet erg duur als je ze met veel gebruikelijke mediauitingen vergelijkt. Bovendien treed je toe tot een club van gedreven ondernemers die van Gooi & Vecht een nog mooier te bezoeken gebied maken! We hebben al zoveel moois in de regio, van bos, heide, zelfs strand (Valkeveen), polderland, het Naardermeer, het plassengebied, de Vecht en alle prachtige stadjes en dorpen daarbinnen, Naarden, Muiden, Weesp, Blaricum, Bussum, Laren. Hilversum is echt stads en heeft weer andere geneugten. Over forten, kastelen en vestingen hoef ik het niet eens te hebben, daarin zijn we uniek in Nederland met de Waterlinies, Stelling van Amsterdam, vestingen en beroemde kastelen. Samen vormt het een compact gebied, op een (half) uurtje rijden of OV'en van de meeste Randstadgebieden. Daar hoef je dus niet voor naar de Veluwe, Drenthe of Friesland te gaan.
En juist in tijd van crisis is het volgens mij goed om samen te gaan staan. Dan kan je nog beter dan anders het verschil maken en kunnen we ons onderscheiden van andere streken in het land. De beste manier om dat over te brengen is om met de toeristische ondernemers als ambassadeur van het RBT op te treden en "het geloof" te verkondigen. Gooi en Vecht, hier kan het echt!

dinsdag 3 januari 2012

Experimenteren met cultuur, onderwijs en ondernemen

Begin van het nieuwe jaar. Een jaar waarin we weer veel gaan meemaken in Naarden en het museum. De toekomstplannen van het museum, met verhuizing naar Bastion Oranje, gaan een volgende fase in met de aanbesteding van de adviesdiensten (architect, werktuigbouw-, electra- en bouwkundig adviseurs ed). De samenwerking met Muiderslot en Pampus zal met de nieuwe directies in Muiden opnieuw besproken gaan worden en we gaan een eerste vol seizoen de toeristische markt op met onze VVV in de Utrechtse Poort in Naarden.

Toch zijn het niet die zaken die ik als eerste prioriteit heb. Dat is het experiment dat we in het voorjaar gaan ondernemen met de Reinwardt Academie.
Studenten van de minor 'cultureel ondernemen' zullen in de voorjaarsvakantie het museum overnemen en het een week gaan runnen. Dat is niet alleen spannend voor de studenten, ook voor het Vestingmuseum, haar medewerkers en de vrijwilligers! Kunnen we alle werkzaamheden met een gerust hart overdragen? Zullen ze het schip drijvend houden? Tegen wat voor problemen lopen we met elkaar op? Best een spannend experiment, zeker als je je bedenkt dat we dit wiel nog helemaal moeten gaan uitvinden. Vooral de deelnemende studenten mogen we niet teleurstellen. Maar ook het publiek dat in de Voorjaarsvakantie het museum gaat bezoeken moet niet het idee krijgen dat ze in het Naarden House of Horror terecht zijn gekomen ;-)

En mochten we nog twijfels over het experiment hebben, sinds zaterdag 8 januari is er geen weg meer terug na publicatie hierover van een bijna paginagroot artikel in de Gooi- en Eemlander, Leidsche Courant en Haarlems Dagblad! Vanmorgen in overleg met Marjan Otter van de Reinwardt Academie die samen met haar collega's Marc Pil en Bob Crezee de kar vanuit de Academie gaat trekken.
Grootste hobbel die we hebben te nemen is vreemd genoeg de enthousiaste deelname van de studenten, het zijn er voor deze minor maar liefst dertig! Waar zetten we die allemaal neer in ons (middel)kleine museum? Normaal werken we met een vaste staf van vijf (waarvan er meestal twee - drie tegelijk binnen zijn) op kantoor en een drietal vrijwilligers in het museumcafé en de technische dienst. Zelfs in het museumcafé is geen plek voor dertig studenten. Door nu een slimme indeling in werkzaamheden te maken en veel studententeams erop uit te sturen voor werkzaamheden buiten de deur, krijgen we het wel beheersbaar.
De vele taken die je als museum met een kleine staf moet vervullen kan je natuurlijk prima verdelen over al de studenten. Als ze zich elk concentreren op één element van het museumwerk, duiken zij er diep in en is het voor ons in de hand te houden. Om de zoveel tijd wisselen van taak en iedereen krijgt aardig inzicht in de veelzijdigheid en de creativiteit die in zo'n museum een must is om de zaak draaiende te houden. En ikzelf? Ik ben vooral benieuwd naar de vragen, inzichten en misschien verbazing en verwondering die dit project met zich mee brengt. Een soort interactieve College Tour!

dinsdag 15 november 2011

In bruikleen krijgen

Wat is een Vestingmuseum zonder vestinggeschut? Weinig natuurlijk. Zo op het eerste gezicht lijkt het erop of we in dat departement niets tekort komen. Wandel je het terrein van het museum op, dan zie je her en der kanonslopen liggen en geschut op diverse soorten affuiten. Kijk je echter wat beter, dan zie je dat het vrijwel allemaal voorladers zijn, de "ouderwetsche" kanonnen zoals je die van de plaatjes uit de Gouden Eeuw en de Napoleontische tijd kent: een lange, zwarte kanonsloop en zo'n bal achterop (de druif) en twee tappen aan weerskanten die in een affuit komen te liggen en waarmee je het kanon naar boven en beneden kan richten. Aan de voorkant is de loop open en daar gaat dan ook het buskruit, de prop (hooi of doek) en de kanonskogel in. Een voorlader dus.



Maar in de tweede helft van de 19e eeuw komt er een ontwikkeling op gang van achterladers, kanonnen waarbij je een granaat, bestaande uit een voortstuwende lading en een kop (explosief of pantserdoorborend), in zijn geheel aan de achterkant in de kanonsloop steekt. Dat gaat een stuk sneller dan bij al die losse componenten van de voorlader en de granaten kunnen machinaal worden gemaakt in grote hoeveelheden en naar exacte specificaties. Het bereik en de explosieve kracht van de granaat nemen explosief toe en betekenen het einde van de oude vestingvorm van met aarde bedekte bakstenen gebouwen. Zo'n kanon wil je natuurlijk hebben voor je expositie, om het verhaal van die technische ontwikkeling mee te kunnen vertellen en te illustreren.

Dan ga je op zoek naar zo'n stuk achterlaadgeschut en kom je er achter dat het helemaal nog niet zo makkelijk is om zo'n kanon te vinden, laat staan te verwerven. Om te beginnen zijn ze, in tegenstelling tot de ouderwetse voorladers, nauwelijks voorhanden. En als ze er al zijn, zijn de vraagprijzen gigantisch en dan moet je ze nog uit Amerika of ergens in Oost-Europa ophalen, met alle kosten en risico's van dien. Dus benader je de musea in Nederland die dit soort wapens in hun collectie hebben. Geen probleem, er is een collega museum die ons bij die vraag wil helpen. We raken in gesprek, bekijken de opties, lopen eens door het depot en komen tot de conclusie dat een bepaald type kanon het moet gaan worden. Dan schrijf je een formeel verzoek, heel officieel op postpapier van het museum. Geen reactie. Je belt eens: "ja, we werken eraan". Half jaar later, nog niks. Je stuurt eens een email om te informeren. Geen antwoord. Weer een half jaar later spreek je de directeur eens aan. Hij zal er achteraan gaan. Een jaar later: niks. Je bent er niet continu mee bezig, dus weer een half jaar later bel en mail je nog maar eens met het Hoofd Collecties en de conservator. Nee, ze gaan er nu mee aan de slag. Ik kan hier nog wel een paar A4'tjes mee vullen, want zo gaat het jaaaaaaaren door!



Maar................ de aanhouder wint. Bijna op de dag af ACHT jaar na mijn eerste verzoek om een bruikleen, komen twee man van een transportbedrijf een heel lief kanonnetje afleveren bij het Vestingmuseum. Wat moet ik over mijn gewaardeerde collega's zeggen? Ik weet het werkelijk niet. Ook al heeft mijn aanvraag geen prioriteit, al malen de bureaucratische molens bij hen traag, al zijn er nog diverse andere redenen aan te voeren, een responstijd op een bruikleenverzoek van maar liefst acht jaar is toch wat veel van het goede. En ook al is het Vestingmuseum dan maar een klein museum, we reageren meestal binnen een week op vrijwel elk verzoek. Lang niet alles kan, dan weet de vrager dat toch binnen een paar dagen. Ook dat is klantvriendelijkheid.

woensdag 26 oktober 2011

De postiljon gaat voor het laatst op pad.......

Vandaag het begin van een bijzondere week, beetje droevige week wel. Zowel Ties Hilgers van het Muiderslot als Nanette Elfring van forteiland Pampus gaan weg. De een met pensioen, de ander naar een nieuwe baan.
Vanmorgen zat ik in het laatste overleg met Ties. Zaterdag is de afscheidsreceptie van Nanette en volgende week donderdag die van Ties.



Voor beiden heb ik de afgelopen jaren enorme bewondering gekregen. Met héél veel inzet, flair en creativiteit hebben ze zowel het slot als het fort verheven in de vaart der volkeren. De een met wat meer middelen dan de ander, maar die vond dan ook wat meer ambtelijke en bureaucratische hobbels op haar weg naar de toekomst.
Beiden met een mooie no nonsense stijl van werken, wars van veel plichtplegingen.
Inhoudelijk hebben ze stappen durven zetten met hun erfgoed. Het Muiderslot is letterlijk opengesneden door routes aan te leggen die historisch niet bestonden, maar nu wel 80% van het Slot bezoekbaar heeft gemaakt voor het publiek. Pampus met een enorme reconstructie van het forteiland, gekoppeld aan de recent opgeleverde multimediale Pampus Exerience. Beiden ook met spannende activiteitenprogramma's waar ik vaak met enige jaloezie naar keek. De 'drijf-in' bioscoop op Pampus bijvoorbeeld, het school en poezieprogramma op het Slot. Lef hebben, risico's durven nemen en dan gewoon doen, dat is de stijl van Ties en Nanette geweest.



Altijd collegiaal bereid je te helpen bij vragen of je een kijkje te gunnen in de eigen keuken.
We werkten samen binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie en ik vervulde daarin veelvuldig de rol van vertegenwoordiger/afgevaardigde van onze forten in de regio in de overleggen met de Linie. Postiljon d' Amour noemden mijn collega's dat.

Zeker de laatste anderhalf jaar zijn we intensief samen opgetrokken om te zien of we Naarden en Muiden, fort, vesting en kasteel nauwer aan elkaar kunnen koppelen.
Dat proces stopt niet met het vertrek van de dames. Wel zal het anders worden met de heren Bert en Tom in de directiezetels in het Slot en op het eiland.

Ik zal me voor die mannen geen postiljon d' Amour meer noemen, dat kon alleen voor Ties en Nanette.

dinsdag 11 oktober 2011

Niets is simpel

Even mopperen op de nieuwe tijd. De laatste weken heb ik me bezig moeten houden met een veelheid aan beslissingen over het moderniseren van systemen in het museum. Er moet een nieuwe kassa komen, de telefooncentrale zou wel eens vervangen moeten worden, we stellen ons de vraag of we met de administratie af zullen gaan van
stand-alone boekhouden en gaan we een reserveringsprogramma gebruiken in plaats van de papieren agenda?

Tien, vijftien jaar geleden waren dat geen ingewikkelde vragen. Je kocht een nieuwe kassa, prikte die in het stopcontact en ging hem gebruiken. Bij de PTT bestelde je een telefoonlijn (kon wel lang duren zo'n bestelling, dat wel) en sloot er een toestel op aan. Boekhouden deed je op papier en reserveringen voor groepsbezoek maakte je gewoon in de papieren agenda.
Nu zit er aan elke beslissing over de aanschaf een wereld aan gevolgen vast. De kassa moet communiceren met je boekhoudpakket, geschikt zijn voor PIN en de Museumkaart en toch zo eenvoudig in gebruik zijn dat je vrijwilligers ermee overweg kunnen. Het boekhoudpakket moet een koppeling met de kassa's hebben, meteen de facturatie kunnen verwerken, management rapportages kunnen maken en is online boekhouden dan beter en handiger dan het pakket op je lokale PC hebben staan? Een reserveringsprogramma moet integratie met de administratie hebben om meteen te kunnen factureren, moet kunnen communiceren met je rondleiders en schippers om hen direct in te kunnen delen en liefst wil je onderdelen ervan via de website van het museum beschikbaar stellen aan het publiek zodat ze zelf kunnen boeken zonder dat ze het museum hoeven te bellen. En het bellen, gaan we VOIP'en of Skypen? Moet je een 'as soon as possible' responstijd voor service hebben, of is 8 of 24 uurook wel voldoende? Hoeveel voicemailboxen nemen we? En is een 0900 nummer handig of juist niet?

Elke optie roept tientallen vragen op, er is een veelheid aan bedrijven die al die spullen en diensten willen leveren, maar natuurlijk allemaal net even anders en dus lastig vergelijkbaar. In een middelklein museum als het Vestingmuseum heb je niet de expertise in huis om met al die mogelijkheden de juiste en meest geschikte te vinden. Een zoekslag op internet geeft wel veel informatie, maar kan je die wel vertrouwen? En het zoeken en lezen alleen al kost vreselijk veel tijd. Laat staan als je een keuze hebt gemaakt zoals met het reserveringssysteem. Daar zitten inmiddels al heel wat uurtjes uitproberen, spelen, klooien en heen en weer mailen met de leverancier in. En of dit systeem het nu is? Een ander systeem dan maar? Dan beginnen we weer van voor afaan!
Keuzestress is het gevolg. Soms weet je helemaal niet meer wat nu wijsheid is, keuzeblokkade derhalve. Maar niks doen is geen optie omdat de wereld niet stil is blijven staan en je er als museum in moet passen.

Dus neem je een besluit, min of meer weloverwogen en soms een beetje met 'god zegen de greep'. Gelukkig valt het meestal goed uit. Alleen een kassa voor de winkel bleek twee jaar geleden een complete miskoop.
Veel tijd kost het wel, tijd waarvan je denkt dat je die wel beter kan besteden en waarbij je soms wel eens zachtjes verzucht dat het met een ouderwetsch geldkistje, telefoon met draaischijf en papieren agenda evengoed (en misschien wel beter) ging.

zondag 11 september 2011

Hoe beleef je geschiedenis het beste?

Lastige vraag waar ik niet 1, 2, 3 een antwoord op heb. Er zijn waarschijnlijk verschillende antwoorden mogelijk. Soms 'voel' je geschiedenis heel goed op lokatie. Mij staat bij hoe ik op vakantie in Frankrijk in een kasteeltje logeerde en in de muren van de slaapkamer gekraste boodschappen uit de Franse Revolutie aantrof. In zo'n niet museale situatie waar je het verleden gewoon naast je bed leest, waar je met je vingers door de krassen heen kan gaan, voel je het verleden bijna letterlijk.

Een film kan je ook dat gevoel geven, hoewel ik moet zeggen dat mij dat niet vaak overkomt. Vanavond heb ik me zitten ergeren aan de film Alexander ovet het leven van Alexander de Grote. Hollywoodyaans, veel uiterlijkheid, weinig historisch gevoel.
Gisteravond daarentegen wist United 93 me absoluut te grijpen, het verhaal van de vierde airliner die op 9/11 gekaapt werd met de bedoeling het toestel op het Witte Huis neer te laten storten. Documentair, zonder opsmuk of valse heroiek, heel sober gemaakt. Toch is het moeilijk te beschrijven waarom de ene film het wel heeft en de andere niet.
Film (en theater) hebben voor mijn gevoel wel te kampen met een probleem van voortgang, scenes spelen zich af en voor de kijker is er nauwelijks gelegenheid voor reflectie.
Dat kan prima passen in tijdsdruk van historische gebeurtenissen (zoals bij United 93 waar de passagiers het toestel moeten overmeesteren op de kapers voor die de fatale duik naar Washington inzetten). Het is lastig zo'n situatie nogmaals te bekijken of te beleven. In het theater al helemaal, een film zou je terug kunnen spoelen om de scene nogmaals te bekijken.

Ik kom met dit punt omdat ik momenteel 'Somme Mud' van Edward Lynch aan het lezen ben, een verslag van twee jaar in de loopgraven van Noord-Frankrijk in de Eerste Wereldoorlog, in 1921 beschreven door Lynch die er in 1916-1918 als jongen uit Australië bij was.
Lynch schrijft zo goed en weet zo treffend het leven in de loopgraven te pakken in woorden dat het voor mij het gevoel geeft 'zo moet het zijn geweest'.
Een verhaal zonder heroiek, een leven in kou, regen, alomvattende modder, een vijand zonder haat, waar de dood zomaar uit de lucht kon komen vallen, waar overleven puur toeval of geluk was en geluk een extra pakje sigaretten of een half uur slaap in een modderige dugout.
Een (goed) boek geeft je feitelijkheden, een verhaal, maar geeft ook lucht aan je eigen fantasie, iets wat een film veel minder kan doen. Je kan het verhaal pauzeren, makkelijk een passage teruglezen, even kauwen op een stuk tekst, zinnen proeven door ze hardop te lezen. Kortom, veel actiever met het verhaal bezig zijn dan in het (passief) consumeren van film of theater.

En een museum dan? Waar staat een museum in die vergelijking? Lastig omdat een museum vaak een gemaakte omgeving is, een plaats waar het verhaal in een keurslijf is gedwongen en er weinig tot geen ruimte is voor de eigen interpretatie van de bezoeker. In een museum hebben we niet de rust om het verhaal in boekvorm (teksten) tot ons te nemen. Museumbezoekers haken héél snel af bij lappen tekst.
Wel heb je de gelegenheid het verhaal nog eens opnieuw tot je te nemen, je loopt gewoon een paar meter terug en bekijkt de expositie nogmaals.

Misschien is het de combinatie waar je naar moet streven. Pak mensen met aansprekende beelden, visuele verhalen (omdat ze niet de tijd of rust willen of kunnen nemen), intrigerende voorwerpen en locaties en verleid ze vervolgens thuis verder in de materie te duiken met goeie boeken die voor verdieping zorgen.
Maak het museumkaartje iets duurder en geef elke bezoeker Het boek met het verhaal van jouw museum mee. Als E-book nog beter omdat je dan geen ongewenste zaken aan je bezoeker meegeeft die meteen in de rullenbak verdwijnen.