vrijdag 19 juni 2009

Nationaal Historisch Museum, waar? Naarden natuurlijk!

Naarden, de onbekendste bekende cultuurstad van Noord-Holland. Onbekend bekend, want vraag je een willekeurige Nederlander of hij of zij Naarden kent, dan zal hij waarschijnlijk meteen roepen “Het Arsenaal, Jan des Bouvrie!”. Of de Mattheuspassion, in de Grote Kerk, daar waar het kabinet altijd op de eerste rij zit. Of noemt hij het Fotofestival, een evenement van formaat. Daar kent men Naarden wel van.
De vesting echter, dat blijft een echt onbekend bekend fenomeen.
Vrijwel dagelijks komen we hier op het museum mensen tegen die zeggen “ik had er wel eens van gehoord, van die vesting, maar dat het zo mooi is, dat wist ik niet!”
Voor ons op het museum natuurlijk prachtig om te horen, maar het is een boodschap die een bredere verspreiding verdiend. Want Naarden heeft zoveel Vaderlandse geschiedenis aan zich voorbij zien trekken op zo'n compact oppervlak, dat je het veel bediscussieerde Nationaal Historisch Museum gewoon in Naarden zou moeten vestingen!
Want wat hebben we hier allemaal gehad? De Hoekse en Kabeljouwse twisten speelden zich ook in deze omgeving af. De 80-Jarige Oorlog klopte bloedig op de poorten van Naarden, de hele bevolking werd door de Spanjaarden uitgemoord. Daarna werd een eerste vesting gebouwd om Amsterdam tegen aanvallen uit het Oosten te beschermen, een soort Stelling voor Amsterdam avant la lettre eigenlijk.
Hoewel hij hier niet werkte, ligt de befaamde educator Comenius wel in Naarden begraven. Het beroemde, beruchte Rampjaar 1672, wie vergeet dat jaartal ooit nog, wel, dat Rampjaar beleefde een dramatisch hoogtepunt hier in Naarden. De Franse legers van de Zonnekoning, Lodewijk XIV, namen Naarden in 1672 in. Een aantal maanden later wist stadhouder Willem III (de latere koning van Engeland) met behulp van het zojuist opgerichte korps Mariniers, de vesting te heroveren.
In de Napoleontische tijd zaten hier weer Franse troepen, nu soldaten van Napoleon. De kleine veldheer was zelf in 1811 naar de verdediging van Amsterdam komen kijken en had de lunch gebruikt in Naarden, ook toen al blijkbaar beroemd om haar culinaire kwaliteiten.
Twee jaar later moest er weer zwaar gevochten worden om zijn manschappen de vesting uit te jagen. Ze weigerden Naarden te verlaten na de nederlaag van Napoleon in de Volkerenslag van Leipzig. Cornelis Kraijenhoff, de latere bedenker en ontwerper van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, voerde de Nederlandse troepen aan in het beleg van Naarden in 1813 – 1814.
Daarna werd het qua krijgsgewoel gelukkig rustiger in de vesting. In 1870 en 1914 - 1918 werd de vesting nog wel aangepast aan de ontwikkelingen in militaire techniek, gelukkig was strijd in en om de vesting niet nodig.
Pas in 1926 ontstond er weer rumoer, nu niet vanwege oorlogshandelingen, maar omdat na opheffing van de vestingstatus men dreigde de vestingwerken te zullen slopen. In Naarden wilde men de wallen in de gracht schuiven en zo Naarden tot een 'normale' stad in het Gooi maken, zoals Blaricum en Laren. De Stichting Menno van Coehoorn, hoeder van het militair-historisch erfgoed, wist dit echter te voorkomen in een lobby richting de Tweede Kamer. Daarmee had Naarden weer een primeur, één van de eerste beschermde monumenten van het land.
In recente jaren kreeg Naarden het designcentrum van Jandes Bouvrie in het Arsenaal en in het fraaie stadhuis werd inmdidels al menig Oranje huwelijk voltrokken.

Tel je dit alles bij elkaar op, dan is maar één conclusie mogelijk: het Nationaal Historisch Museum hoort in Naarden te staan!

dinsdag 9 juni 2009

Forten, vleermuizen en andere zaken uit de natuur

Dan begin je een jaar of vijf geleden als museumdirecteur en denk je dat het allemaal draait om exposities, catalogi, lezingen, educatie en meer van die typische museumonderwerpen. En voor je er erg in hebt, sta je in de werkplaats van het museum met al je kracht een bok in toom te houden die een injectie met ontwormingsmiddel moet krijgen!

Natuurlijk is het Vestingmuseum een erg groen museum, een soort openluchtmuseum bijna. Naast de ondergrondse kazematten met hun specifieke problematiek van metselwerk, vocht, verlichting en dergelijke, kent het grote, groene buitenterrein zijn eigen aanpak. In de eerste jaren werd het gras bijvoorbeeld gemaaid door een hoveniersbedrijf, ingehuurd door de terreineigenaar, de Rijksgebouwendienst. Vanwege bezuinigingen moesten we zelf voor het maaien van dat gras gaan zorgen en na mislukte experimenten met werkervaringsplaatsen en taakgestraften kwamen we uit op een zeer natuurlijke vorm van groenbeheer, het begrazen met Oud-Hollandsche landgeiten.

Nou zijn dat leuke beesten en ze werken hard en gestaag door (je hoort ze nooit klagen dat ze nu alweer moeten overwerken!), ze hebben zo wel hun eigenaardigheden. Toen ze er net waren aten ze het brood van Willem van de Technische Dienst zo uit zijn fietstas of uit z'n bureaula. Koekjes en ander lekkers op het terras van het museumcafé bleken ook niet veilig te zijn.

Nu is dat allemaal veiliggesteld en zijn we al aardig aan de dieren gewend. Stel je echter weer eens wat anders tentoon op het buitenterrein, bijvoorbeeld grote foto's voor het Fotofestival Naarden, blijkt dat ze de houten stellages van die foto's heerlijke ruggeschuurders vinden! De foto's overleefden deze aanvallen maar ternauwernood.

Heel anders, maar ook natuur zijn vleermuizen. Geen fort in de Waterlinie is fan van deze beestjes. Door hun kwetsbaarheid tijdens de winterslaap maken ze het fortbeheerders erg moeilijk iets te organiseren in de onderkomens waar ze de winter doorbrengen. Wij hebben op Bastion Turfpoort geen vleermuizen, maar ik had niet gedacht dat ik ze bijna zou missen. Als thema van de opening van het Fortenseizoen werden in april de vleermuizen in stelling gebracht. In het Vestingmuseum werden dat plastic exemplaren, bij gebrek aan beestjes van vlees en bloed. Maar wat schetst de verbazing dat ze erg populair blijken te zijn bij kinderen. De Vleermuizenspeurtocht liep als een trein en tot aan het einde van de Meivakantie hebben we die er maar in gehouden.

Tenslotte het museum in het voorjaar. Omdat we zo'n drie jaar geleden met het begrazen met de geiten zijn begonnen en we niet (of nauwelijks) meer grasmaaien, is de grondsamenstelling van het bastion er behoorlijk op vooruit gegaan. In plaats van grasmaaien en het geknipte gras afvoeren (zoals voorheen gebeurde en nog steeds op andere delen van de vesting), eten de geiten gras en andere aanplant. In ruil daarvoor bemesten ze het terrein en woelen het met hun hoeven enigszins om. De begroeiing van het bastion is daarmee veel rijker geworden en zo met de komst van het voorjaar zie je een weelde aan planten en bloemen ontluiken op het museum. Ik moet zeggen dat dat wel een extra charme aan ons museum geeft. Zeg nou zelf, welk museum heeft zulke fraaie onderkomens voor de exposities en ook nog eens een fraai begroeid dak waaronder al dat moois te zien is.

woensdag 27 mei 2009

Salarissen, publieke omroep en de Balkenende norm

De vraag of het acceptabel is om een aantal mensen binnen de publieke omroep salarissen te betalen die ver boven de Balkenende norm liggen, is er een over kwaliteit en schaarste in het publieke domein.
Op zich is het prima dat mensen met talenten die schaars zijn en waar veel vraag naar is, ook veel mogen vragen voor het aanwenden van hun talenten. Dat zie je dagelijks in de betaalde voetballerij, bij acteurs, autocoureurs en topmensen in het bedrijfsleven. De markt bepaald de vraag en daarmee een bijpassende beloning.
In de actuele discussie over salarissen van een aantal presentatoren en omroepmensen die binnen het publieke bestel werken, gaat het echter vooral over de vraag of vanuit het algemeen belang (de Nederlander als belastingbetaler) zulke salarissen acceptabel zijn.
In een veelheid aan sectoren die zich ook geheel of gedeeltelijk binnen dat publieke domein bevinden, werken vele mensen met een bovengemiddeld talent die de keuze hebben gemaakt dat werk te doen voor een goed, maar niet overdadig salaris. Zo heeft een officier van justitie de keuze om buiten het Openbaar Ministerie in de advocatuur te gaan werken en daar een wellicht veel hoger salaris te gaan verdienen en dat doen sommigen van hen ook, maar anderen maken een afweging de publieke zaak te willen dienen en nemen genoegen met een lagere beloning.
Iets soortgelijks gaat op voor vliegers bij de Luchtmacht. Die kunnen bij de KLM of een andere luchtvaartmaatschappij gaan vliegen tegen een aanzienlijk hoger salaris en toch kiezen veel Luchtmachtvliegers ervoor in hun F-16, Hercules of Apache te blijven vliegen omdat werken bij de Luchtmacht hen een ander soort voldoening geeft.

Zo zou je de beloningen binnen de Publieke Omroep ook kunnen zien. Als salarissen daar binnen de grenzen van de Balkenende norm blijven, hebben presentatoren de keuze naar de commerciële omroepen te gaan en daar een vrije markt salaris te verdienen. De vraag is of ze dan de programma's mogen of kunnen maken die binnen het publieke bestel mogelijk zijn, maar dat is dan de afweging die zij moeten maken. Opmerkingen dat ze zich “opstoken voor de publieke zaak” zijn mijns inziens lichtelijk overdreven. Menig (semi) ambtenaar werkt voor heel wat minder geld en in minder 'leuke' beroepen en stookt zichzelf aardig op voor de publieke zaak, zoals bijvoorbeeld leraren of brandweermensen. Bovendien hoeven die presentatoren niet binnen dat publieke bestel te werken, ze zijn vrij om naar de commerciële collega's te gaan.
“Maar dan verliezen we al dat talent bij de publieke omroep!” Dat lijkt een heel valide argument, toch vraag ik me af hoeveel opkomend talent er niet klaar staat om de vrijgekomen plaatsen in te nemen. Het zou me verbazen als er geen mensen met talent te vinden zijn die binnen het publieke bestel willen werken voor een 'publiek' salaris. Binnen eerder genoemde sectoren als het Openbaar Ministerie, Defensie of in een sector als de museumwereld (mijn eigen werkveld) werken zeer capabele en soms zelf bovenmatig getalenteerde mensen die tevreden zijn met een heel redelijk (en soms zelf een onredelijk) salaris.
Je zou zelfs kunnen redeneren dat de duurbetaalde presentatoren als een soort 'stop' fungeren binnen de publieke omroep. Aanstormend talent krijgt doordat er aan de top geen doorstroming is, minder ruimte om te laten zien wat ze kunnen. En als die talenten weer vinden dat ze zo uniek geworden zijn dat ze buiten het normale salarishuis betaald moeten gaan worden, kunnen ook zij kiezen voor voortzetting binnen een commerciële carrière.

De vraag is dus of onze omroep, onze televisiewereld zoveel armer zou worden met salarissen binnen de Balkenende norm.

maandag 25 mei 2009

Naarden, fotostad

Elke twee jaar is Naarden even het foto-middelpunt van Nederland. Dan speelt zich binnen de wallen van Naarden het "Foto Festival Naarden" af, een evenement waarbij overal in de stad fotografie te zien en te beleven valt.
Het Vestingmuseum heeft de afgelopen aflevering (2007) als onderdeel van het officiële festival meegedaan, nadat het in 2005 onderdeel van het OFF (niet officiële) festival was.
Gedurende de maand van het festival bezoeken zo'n 40.000 fotoliefhebbers de vesting en voor het Vestingmuseum is het ook een leuke opsteker om daarvan zo'n 2.500 tot 3.000 bezoekers binnen te halen met een foto-tentoonstelling.

Jammer genoeg konden we dit jaar geen deel uit maken van het echte Foto Festival Naarden omdat de organisatie had besloten het festival kleiner te maken en anders te organiseren.
Niet getreurd en met drie foto-exposities in huis hebben we toch heel wat aardigs in huis voor de fotoliefhebber: fotoclub Argentum uit het Gooi met overzichtswerk van hun leden met een nieuwe blik op Naarden, guerrilla galerie SEELEVEL uit Amsterdam met een expositie van jonge fotografen en een expositie van Anneloes Bakker die vorig jaar een opdracht van het museum had gekregen om details van de vestingwerken vast te leggen onder de titel "Up close and personal".


Op 16 mei, een dag na de opening van het "echte" Foto Festival ging ook ons drieluik open, een erg gezellige bijeenkomst.
Jammer genoeg begon diezelfde dag al de grote verwarring bij het fotominnend publiek omdat voor hen niet duidelijk is wat bij het officiële festival hoort en wat bij het OFF, niet officiële, deel.
Bij het Vestingmuseum moet je gewoon een entreekaartje kopen (5,50 voor volwassenen) en krijgen de houders van een Foto Festival passepartout een royale korting van 3 euro naar een entreeprijs van 2,50! Toch is er veel onduidelijkheid en onbegrip bij het publiek. Van de 85 bezoekers op die eerste zaterdag gaan er zeker 65 mopperend weer weg "nu hebben we al veel geld voor een passepartout betaald (35,- euro voor de maandkaart en 15 euro voor een dagkaart) en dan moeten we hier weer betalen". Vanuit het publiek gezien begrijpelijk, vanuit het gezichtspunt van het museum ook. Ook hier moet de schoorsteen roken en om nu de festivalbezoekers voor niks naar binnen te laten.............

Om de festivalbezoekers tegemoet te komen hebben we nu maar besloten de passepartouthouders voor 1 euro toe te laten en dat zorgde meteen voor een ommekeer in de verhoudingen. Nu komt 80% van de festivalbezoekers (soms nog mopperend over die ene euro) wl binnen en draait nog maar 20% om. En ja, 80 x 1 euro is nog altijd meer dan 20 x 2,50...........
Toch blijft het onbevredigend en hoop ik dat we voor het Foto Festival 2011 een afspraak in Naarden kunnen maken om alle locaties die meedoen aan het Festival voor passepartouthouders vrij toegankelijk te kunnen maken.
Als je Naarden als gastvrije fotostad wilt aanprijzen is zoiets zeker van belang.

woensdag 6 mei 2009

Studenten aan het werk

Vandaag weer eens ervaren hoe ontzettend leuk het kan zijn om met studenten te werken en dan helemaal met studenten die bijna aan het einde van hun studie zijn gekomen en richting betaalde baan of eigen bedrijfje gaan. Zowel bij het Museum voor Communicatie als bij Aviod(r)ome als nu in het Vestingmuseum heb ik dat meegemaakt.
Zeker in het Vestingmuseum is het een combinatie die voor beide partijen goed uit kan pakken. De student krijgt een eerste (betaalde) opdracht die de start van een portfolio aan uitgevoerd werk kan zijn, hij krijgt heel veel vrijheid om zijn creativiteit de vrije loop te laten (juist omdat ik er bijna niks voor betaal kan en wil ik er ook niet teveel bovenop zitten), het museum krijgt een zeer gemotiveerde opdrachtnemer die geen uurtje-factuurtje werkt en voor dat alles hoeft het museum niet vreselijk diep in de buidel te tasten (wat hier ook niet kan, want er zit bijna niks in die buidel).

In 2006 maakte Arnoud een viertal 'soundscapes' (soort hoorspelen) die de bezoeker meenam langs een viertal diorama's in het museum. Ik had geen geld om daar hele fraaie (en ook heel kostbare) multimediapresentaties voor te laten maken. Daarbij is geluid een stuk goedkoper, zowel om te maken als qua apparatuur en minder onderhoudsgevoelig. Een ander groot voordeel van geluid is dat het je fantasie volgens mij beter prikkelt dan beeld. Bij geluiden ga je zelf beelden bedenken, als het beeld er al bij is hoef je dat dus niet meer te doen.
De vier hoorspelen die Arnoud maakte sloegen goed aan bij het publiek. Het is een soort soap in vier delen waarbij zich in de kruitkamer een explosie voordoet en de sergeant Pelder gewond raakt. Zijn collega's in het wachtlokaal vertellen elkaar erover en de adjudant van de kruitkamer moet bij de commandant op rapport komen. In het ziekenzaaltje bespreken de dokter en een verpleger de verwondingen van Pelder. Je kan zo een boel informatie kwijt zonder dat het als erg belerend overkomt en het nog grappig maken ook.
Het was Arnouds eerste klus na het afstuderen aan de HKU (Hogeschool Kunsten Utrecht) en het begin van zijn bedrijf "De Auditieve Dienst". De kosten voor het museum weet ik zo niet meer, maar ze voldeden helemaal aan de "Regel van 80-20" die ik graag hanteer in dit museum. Als ik voor 20% van de kosten van een regulier bedrijf, 80% van het resultaat van zo'n professioneel bedrijf krijg, ben ik zeer tevreden. In dit geval lag het zelfs meer naar de 90% resultaat denk ik.

Zo ook vanmiddag. Op bezoek kwamen Wouter en Freek, master en bachelorstudent van de HKA. In het kader van hun afstudeeropdrachten gaan ze voor het Vestingmuseum één of meer educatieve 'spellen' of ervaringen ontwerpen. Wouter heeft vorig jaar al veel sounddesign in kazemat W (over de Waterlinies) gedaan, tot meer dan volle tevredenheid van mijn kant en in de samenwerking met Freek kunnen ze beiden nog veel meer laten zien.
Eerder van de week stuurden ze me een document met een tiental concepten van zeer originele opstellingen die in welk topmuseum dan ook niet zouden misstaan. Over twee van de toppers hebben we vanmiddag gsproken, hoe ze die in de komende twee maanden gaan uitwerken in een prototype. Als dat blijkt te werken in het huidige vestingmuseum, kunnen we voor het nieuwe vestingmuseum (klaar in 2011 - 2012?) een prachtig vormgegeven exemplaar bouwen.
Omdat het allemaal nog in de ontwerpfase is en natuurlijk zeer geheim, kan ik niet meer dan een tipje van de sluier(s) oplichten. Er komt een opstelling waarin het publiek kan meebeslissen over de ontwikkeling van Naarden in de 16e, 17e, 18e, 19e en 20e eeuw. Hoe neem je verstandige beslissingen? En wat zijn de consequenties daarvan voor de bevolking? Dat alles doen ze ook nog op basis van democratische principes en voila! daarmee je krijgt een exhibit die historische lessen leert en ook nog maatschappelijk van belang is.

Het meest plezier heb ik zo'n middag nog van de discussies over functie en taak van musea en welke rol dit soort exhibits, experiences, opstellingen en gadgets daarin kunnen en moeten (moeten?) spelen. Moet een museum altijd "leuk" zijn is zo'n punt waarover we het hebben. "Als het je maar iets doet" was mijn conclusie en hoeft en mag het soms zelfs niet leuk zijn. Wat de discussie vanmiddag overigens wel was.

maandag 20 april 2009

Tarakan II, erfgoed in de knel

Al eerder schreef ik over het project Tarakan, "Oorlog om Olie", een project om vast te leggen wat er nog aan erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog op het eilandje Tarakan te vinden was. Van 10 tot 17 april was ik daarvoor in Indonesië en bezocht een paar dagen Tarakan om het project voor te bereiden bij de gemeente Tarakan en zelf te zien waar we het nu eigenlijk over hebben.

Na een paar dagen Jakarta was Tarakan een baken van rust! Wat een verschil tussen de miljoenen knetterende en dikke zwarte rook uitbrakende brommertjes en ouwe stadsbussen van Jakarta. Stoken ze die dingen soms op afgewerkte kokosolie of zo? Tarakan is ongeveer zo groot als Texel, maar dan met zo'n 170.000 inwoners. Het stadje Lingkas (in 1942 niet meer dan een gehucht) is als een olievlek (toepasselijke beeldspraak op een eiland dat bijna op olie dreef) over het midden en westen van het eiland uitgevloeid. Van het oude Tarakan is niet veel meer over en wat er nog is, is verborgen tussen de nieuwbouw: wat BPM (voorloper van de SHELL) woningen, de sociëteit, de RK kerk, het BPM ziekenhuis en nog zo wat van die gebouwen. Als je een ritje over het eiland maakt en goed om je heen kijkt, zie je wel overal de sporen van de oorlog, het miechelt er van de bunkers en bunkertjes. We (historicus Hans Bonke en ikzelf) werden allerhartelijkst ontvangen door de gemeente, afgehaald van het vliegveld, met koffie in de VIP Lounge, daarna een bezoekje bij de burgemeester in zijn ambstwoning en de volgende ochtend een vergadering op het gemeentehuis. Allemaal boeiend, ontvangst bij de burgemeester op blote voeten (hij dus hè, dat bleek gebruikelijk te zijn), het gemeentehuis dat op een kantoor uit de jaren '50 leek (heel veel mensen die vooral veel thee dronken, met elkaar kletsten en vooral erg veel formulieren aan het invullen waren) en ook de ritjes over Tarakan met chauffeur Ari die te pas en te onpas "Yiaheeee!! riep en "funny" hoewel hij verder geen woord Engels sprak.
Op maandagmorgen zouden we de twee belangrijkste kustbatterijen gaan bekijken, bij Peningki en bij Karoengan. Dat betekende vanaf het einde van de asfaltweg nog een anderhalve kilometer door de gele modder prutten en dan was ik ook nog m'n jungleboots vergeten! In de stromende regen en bij een temperatuur van zo'n 30 graden, gleden en zompten Azis (de lokale historicus), chauffeur Ari, Hans en ik naar de batterij. Een betonnen pad omhoog de heuvel op bracht ons bij een grote munitiebunker. Er stond netjes een hekje omheen en een bord "Beschermd historisch erfgoed". Even verderop kwamen we bij het eerste stuk geschut, een stuk 75mm Krupp geschut uit 1902 dat er nog verbazingwekkend goed bijstond, zeker als je bedenkt dat het er al vanaf 1940 staat, in weer en wind! Alleen het schild (de beschermende pantserplaat voor de geschutsbemanning) lag eraf en een paar meter verderop. Doorlopend naar de volgende stelling bleek er iets vreemds aan de hand te zijn. De stelling was nog wel intact, maar stond min of meer los in het landschap. Alle grond eromheen was weggegraven en een groot stuk terrein was geëgaliseerd. Een bordje gaf informatie dat de Indonesische Marine (de Angketan Laut) daar bezig was een nieuwe Marinebasis te bouwen! Precies op de plek van de Peningki batterij. Ook een achter het geschut liggende heuvel werd al afgegraven en een observatiebunker daarop hing al vervaarlijk dicht tegen de rand van de afgraving aan. Voor ons was het duidelijk dat we actie zouden moeten ondernemen om het verdwijnen van de batterij te verhinderen. Niet alleen is de batterij van Peningki nog helemaal compleet (munitiebunker, geschutsopstellingen, observatieposten, zoeklichtstellingen, commandobunker etc) maar ook hebben Peningki en Karoengan op 12 januari 1942 twee Japanse mijnenvegers (de W-13 en W-14) tot zinken gebracht, een actie de geschutsbemanningen later met de dood hebben moeten bekopen. De Japanners hebben hen uit wraak geëxecuteerd. Het zou zonde zijn als deze historische site vernield zou worden.
Om het beeld compleet te krijgen, zijn we nog drie kilometer doorgemodderd naar de kustbatterij Karoengan. Daar stonden onder andere 120mm Krupp geschut, ook afkomstig van gesloopte marineschepen van de Koninklijke Marine. De toestand van dit geschut was zo mogelijk nog beter dan het 75mm geschut, sommige RVS onderdelen glommen nog als nieuw!
Na terugkeer bleek de Angketan Laut de bouw van de basis geheel zonder afstemming met de gemeente te zijn begonnen en bij de gemeente schrok men wel van onze berichten. Tarakan heeft plannen om het erfgoed uit de oorlog in de vorm van "heritage parkjes" toegankelijk te gaan maken om zo toeristen uit Nederland, Australië, Indonesië zelf en misschien ook wel Japan te trekken. De volgende morgen werd er pers opgetrommeld en zo kwamen Hans en ik in zowel de lokale krant, de Tarakan Kompass, als op de lokale TV terecht. In Jakarta de dag erna ook onze ambassade proberen op te porren er iets aan te doen en een interview met de Jakarta Post gedaan. We hopen dat die dingen en een aantal informele contacten vanuit Tarakan en Jakarta effect zullen hebben.
Een vreemde ervaring dat dit erfgoed, dat al meer dan 67 jaar onaangetast op dezelfde plek staat, precies op het moment dat wij er gaan kijken, aangetast lijkt te gaan worden. Meestal is zo'n periode lang genoeg om tot inzicht te komen dat je hier zorgvuldig mee om moet gaan.

woensdag 8 april 2009

Lessen uit Londen

Londen, prachtige stad, met mooie musea, monumenten en natuurlijk de bekende highlights.
Want als je drie dagen met zoon Bram van 11 naar Londen gaat, ontkom je niet aan bezienswaardigheden als de Houses of Parliament, Big Ben, St Pauls Cathedral, Picadilly Circus en nog zowat van die dingen.
Gelukkig heeft Bram ook een (museum)klap(je) van de molen van zijn vader meegekregen en staan er dus heel wat bezoekjes aan de mooiste musea van Londen op het programma. Welgeteld zeven hebben we er in 2,5 dag gedaan. Helaas voor de kunstzinnigen onder ons niet de kunstmusea als Tate, Modern Tate en de National Portrait Gallery, daar gaat onze belangstelling niet zo naar uit ;-)

De eerst dag, na overigens een geweldige lunch bij het "Lido" aan de Serpentine in Hyde Park, wat wil je ook met een temperatuur van zo'n 17 graden, zon en windstil!, ging het op naar het Science Museum.
Deze befaamde tempel van de Britse inventiviteit geeft een wat dubbel gevoel. Aan de ene kant staan daar kroonjuwelen uit de geschiedenis van de techniek als de "Rocket", de locomotief van Stephenson, voorlopers van de computer van Charles Babbage , prototypes van VTOL vliegtuigen als de Hawker Harrier en dergelijke. Ook de nieuwe interactieve presentatie over techniek, Launchpad, is fantastisch. Maar tegelijkertijd is het wel heel treurig om in een zaal als die over scheepvaart te komen waar sinds ik er de laatste keer was (1973?) alles bij het oude is gebleven! Stoffige vitrines, met de typemachine geschreven kaartjes, TL verlichting. Ik overdrijf misschien een beetje, maar de tegenstelling met de eerder beschreven kanten van het Science Museum is groot, misschien wel TE groot.

Een ander fenomeen van de grote musea in Londen was de gratis entree. Ik ben er niet over uit of dit nu een meerwaarde heeft of niet. Het maakt het wel erg makkelijk even het museum binnen te lopen, ook al heb je maar een half uurtje de tijd of boeit het onderwerp van het museum je op het eerste gezicht niet zo. Maar ook maakt het zo'n museum wel erg druk met bezoekers die niet veel met het museum "hebben", vervuilen ze misschien het museum een beetje? Ik kan ook geen inschatting maken of dat extra bezoek nu meer kost aan beveiliging, toiletten, stroom, schoonmaak etc of dat het ook wat oplevert aan donaties (donatiebakken waren overal prominent aanwezig), omzet in de museumwinkels en het museumcafé en zo.

Wij hebben er ook gebruik van gemaakt. Voor het British Museum bleken we maar een uur de tijd te hebben! We moesten dat tussen vijf en zes op de zaterdag proppen om ons zondagse programma aan te kunnen. In het BM was weer wat anders aan de hand. Prachtig (her)ingericht, met een imposante entreehal en natuurlijk de fraaiste schatten uit de wereldgeschiedenis (Elgin Marbles anyone?) is het een geweldig museum. De vraag die het bij mij opriep was toch ook wel of overdaad schaadt? Er is zo verschrikkelijk veel te zien dat je op gegeven moment niet meer weet waar je moet kijken en blasé langs de mooiste vitrines loopt. Met de inhoud van één zaal zou ik een compleet, en hoogwaardig!, museum kunnen vullen. Nu ga je op gegeven moment bijna hollen langs al dat moois. Het gebrek aan routing en de overdaad maakte voor mij dat het op gegeven moment teveel werd.

Naast de onvermijdelijke Tower (die ik overigens nooit eerder had bezocht) die best boeiend bleek te zijn (zeker als je er 's ochtends al om 09.00 uur aan de poort staat als het nog rustig is) met oa een erg fraaie tentoonstelling over Hendrik VIII (Henry VIII: Dressed to Kill) bleken de Cabinet War Rooms waar we min of meer per ongeluk terecht kwamen, een onverwachtte schat.
Dit museum, een onderdeel van het Imperial War Museum, is gesitueerd onder het Ministerie van Financiën waar tijdens de Tweede Wereldoorlog Churchill en zijn Kabinet en Legerleiding bivakkeerde.
Omdat het gebouw niet bijzonder inspirerend leek te zijn (de kelders van een ministerie, met bezemkasten en opslaghokken) en het verhaal van mannetjes die daar vergaderen ook niet (al ging het in veel gevallen over leven of dood), hadden we er weinig verwachtingen van. Het tegendeel bleek waar te zijn! De War Rooms zijn een doolhof aan kamers en verblijven, elk met een eigen verhaal, van bijzondere personen, eigenaardigheden, ongemakken en lief en leed op heel persoonlijke schaal. Met behulp van een uitstekende (Nederlandstalige!) audiotour liepen we door het gangenstelsel en kwam de geschiedenis behoorlijk tot leven. Het Churchill Museum zit ook erg goed in elkaar, met veel audiofragmenten en slimme video (projectie op de binnenkant van een vitrine bijvoorbeeld). Ook was de routing in beide (in elkaar overlopende) musea goed waardoor je duidelijk aan de hand werd meegenomen en geen onderdeel van het verhaal hoefde te missen. Duidelijk een museum/musea waar "lessen uit Londen" te trekken vallen.