maandag 20 april 2009

Tarakan II, erfgoed in de knel

Al eerder schreef ik over het project Tarakan, "Oorlog om Olie", een project om vast te leggen wat er nog aan erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog op het eilandje Tarakan te vinden was. Van 10 tot 17 april was ik daarvoor in Indonesië en bezocht een paar dagen Tarakan om het project voor te bereiden bij de gemeente Tarakan en zelf te zien waar we het nu eigenlijk over hebben.

Na een paar dagen Jakarta was Tarakan een baken van rust! Wat een verschil tussen de miljoenen knetterende en dikke zwarte rook uitbrakende brommertjes en ouwe stadsbussen van Jakarta. Stoken ze die dingen soms op afgewerkte kokosolie of zo? Tarakan is ongeveer zo groot als Texel, maar dan met zo'n 170.000 inwoners. Het stadje Lingkas (in 1942 niet meer dan een gehucht) is als een olievlek (toepasselijke beeldspraak op een eiland dat bijna op olie dreef) over het midden en westen van het eiland uitgevloeid. Van het oude Tarakan is niet veel meer over en wat er nog is, is verborgen tussen de nieuwbouw: wat BPM (voorloper van de SHELL) woningen, de sociëteit, de RK kerk, het BPM ziekenhuis en nog zo wat van die gebouwen. Als je een ritje over het eiland maakt en goed om je heen kijkt, zie je wel overal de sporen van de oorlog, het miechelt er van de bunkers en bunkertjes. We (historicus Hans Bonke en ikzelf) werden allerhartelijkst ontvangen door de gemeente, afgehaald van het vliegveld, met koffie in de VIP Lounge, daarna een bezoekje bij de burgemeester in zijn ambstwoning en de volgende ochtend een vergadering op het gemeentehuis. Allemaal boeiend, ontvangst bij de burgemeester op blote voeten (hij dus hè, dat bleek gebruikelijk te zijn), het gemeentehuis dat op een kantoor uit de jaren '50 leek (heel veel mensen die vooral veel thee dronken, met elkaar kletsten en vooral erg veel formulieren aan het invullen waren) en ook de ritjes over Tarakan met chauffeur Ari die te pas en te onpas "Yiaheeee!! riep en "funny" hoewel hij verder geen woord Engels sprak.
Op maandagmorgen zouden we de twee belangrijkste kustbatterijen gaan bekijken, bij Peningki en bij Karoengan. Dat betekende vanaf het einde van de asfaltweg nog een anderhalve kilometer door de gele modder prutten en dan was ik ook nog m'n jungleboots vergeten! In de stromende regen en bij een temperatuur van zo'n 30 graden, gleden en zompten Azis (de lokale historicus), chauffeur Ari, Hans en ik naar de batterij. Een betonnen pad omhoog de heuvel op bracht ons bij een grote munitiebunker. Er stond netjes een hekje omheen en een bord "Beschermd historisch erfgoed". Even verderop kwamen we bij het eerste stuk geschut, een stuk 75mm Krupp geschut uit 1902 dat er nog verbazingwekkend goed bijstond, zeker als je bedenkt dat het er al vanaf 1940 staat, in weer en wind! Alleen het schild (de beschermende pantserplaat voor de geschutsbemanning) lag eraf en een paar meter verderop. Doorlopend naar de volgende stelling bleek er iets vreemds aan de hand te zijn. De stelling was nog wel intact, maar stond min of meer los in het landschap. Alle grond eromheen was weggegraven en een groot stuk terrein was geëgaliseerd. Een bordje gaf informatie dat de Indonesische Marine (de Angketan Laut) daar bezig was een nieuwe Marinebasis te bouwen! Precies op de plek van de Peningki batterij. Ook een achter het geschut liggende heuvel werd al afgegraven en een observatiebunker daarop hing al vervaarlijk dicht tegen de rand van de afgraving aan. Voor ons was het duidelijk dat we actie zouden moeten ondernemen om het verdwijnen van de batterij te verhinderen. Niet alleen is de batterij van Peningki nog helemaal compleet (munitiebunker, geschutsopstellingen, observatieposten, zoeklichtstellingen, commandobunker etc) maar ook hebben Peningki en Karoengan op 12 januari 1942 twee Japanse mijnenvegers (de W-13 en W-14) tot zinken gebracht, een actie de geschutsbemanningen later met de dood hebben moeten bekopen. De Japanners hebben hen uit wraak geëxecuteerd. Het zou zonde zijn als deze historische site vernield zou worden.
Om het beeld compleet te krijgen, zijn we nog drie kilometer doorgemodderd naar de kustbatterij Karoengan. Daar stonden onder andere 120mm Krupp geschut, ook afkomstig van gesloopte marineschepen van de Koninklijke Marine. De toestand van dit geschut was zo mogelijk nog beter dan het 75mm geschut, sommige RVS onderdelen glommen nog als nieuw!
Na terugkeer bleek de Angketan Laut de bouw van de basis geheel zonder afstemming met de gemeente te zijn begonnen en bij de gemeente schrok men wel van onze berichten. Tarakan heeft plannen om het erfgoed uit de oorlog in de vorm van "heritage parkjes" toegankelijk te gaan maken om zo toeristen uit Nederland, Australië, Indonesië zelf en misschien ook wel Japan te trekken. De volgende morgen werd er pers opgetrommeld en zo kwamen Hans en ik in zowel de lokale krant, de Tarakan Kompass, als op de lokale TV terecht. In Jakarta de dag erna ook onze ambassade proberen op te porren er iets aan te doen en een interview met de Jakarta Post gedaan. We hopen dat die dingen en een aantal informele contacten vanuit Tarakan en Jakarta effect zullen hebben.
Een vreemde ervaring dat dit erfgoed, dat al meer dan 67 jaar onaangetast op dezelfde plek staat, precies op het moment dat wij er gaan kijken, aangetast lijkt te gaan worden. Meestal is zo'n periode lang genoeg om tot inzicht te komen dat je hier zorgvuldig mee om moet gaan.

woensdag 8 april 2009

Lessen uit Londen

Londen, prachtige stad, met mooie musea, monumenten en natuurlijk de bekende highlights.
Want als je drie dagen met zoon Bram van 11 naar Londen gaat, ontkom je niet aan bezienswaardigheden als de Houses of Parliament, Big Ben, St Pauls Cathedral, Picadilly Circus en nog zowat van die dingen.
Gelukkig heeft Bram ook een (museum)klap(je) van de molen van zijn vader meegekregen en staan er dus heel wat bezoekjes aan de mooiste musea van Londen op het programma. Welgeteld zeven hebben we er in 2,5 dag gedaan. Helaas voor de kunstzinnigen onder ons niet de kunstmusea als Tate, Modern Tate en de National Portrait Gallery, daar gaat onze belangstelling niet zo naar uit ;-)

De eerst dag, na overigens een geweldige lunch bij het "Lido" aan de Serpentine in Hyde Park, wat wil je ook met een temperatuur van zo'n 17 graden, zon en windstil!, ging het op naar het Science Museum.
Deze befaamde tempel van de Britse inventiviteit geeft een wat dubbel gevoel. Aan de ene kant staan daar kroonjuwelen uit de geschiedenis van de techniek als de "Rocket", de locomotief van Stephenson, voorlopers van de computer van Charles Babbage , prototypes van VTOL vliegtuigen als de Hawker Harrier en dergelijke. Ook de nieuwe interactieve presentatie over techniek, Launchpad, is fantastisch. Maar tegelijkertijd is het wel heel treurig om in een zaal als die over scheepvaart te komen waar sinds ik er de laatste keer was (1973?) alles bij het oude is gebleven! Stoffige vitrines, met de typemachine geschreven kaartjes, TL verlichting. Ik overdrijf misschien een beetje, maar de tegenstelling met de eerder beschreven kanten van het Science Museum is groot, misschien wel TE groot.

Een ander fenomeen van de grote musea in Londen was de gratis entree. Ik ben er niet over uit of dit nu een meerwaarde heeft of niet. Het maakt het wel erg makkelijk even het museum binnen te lopen, ook al heb je maar een half uurtje de tijd of boeit het onderwerp van het museum je op het eerste gezicht niet zo. Maar ook maakt het zo'n museum wel erg druk met bezoekers die niet veel met het museum "hebben", vervuilen ze misschien het museum een beetje? Ik kan ook geen inschatting maken of dat extra bezoek nu meer kost aan beveiliging, toiletten, stroom, schoonmaak etc of dat het ook wat oplevert aan donaties (donatiebakken waren overal prominent aanwezig), omzet in de museumwinkels en het museumcafé en zo.

Wij hebben er ook gebruik van gemaakt. Voor het British Museum bleken we maar een uur de tijd te hebben! We moesten dat tussen vijf en zes op de zaterdag proppen om ons zondagse programma aan te kunnen. In het BM was weer wat anders aan de hand. Prachtig (her)ingericht, met een imposante entreehal en natuurlijk de fraaiste schatten uit de wereldgeschiedenis (Elgin Marbles anyone?) is het een geweldig museum. De vraag die het bij mij opriep was toch ook wel of overdaad schaadt? Er is zo verschrikkelijk veel te zien dat je op gegeven moment niet meer weet waar je moet kijken en blasé langs de mooiste vitrines loopt. Met de inhoud van één zaal zou ik een compleet, en hoogwaardig!, museum kunnen vullen. Nu ga je op gegeven moment bijna hollen langs al dat moois. Het gebrek aan routing en de overdaad maakte voor mij dat het op gegeven moment teveel werd.

Naast de onvermijdelijke Tower (die ik overigens nooit eerder had bezocht) die best boeiend bleek te zijn (zeker als je er 's ochtends al om 09.00 uur aan de poort staat als het nog rustig is) met oa een erg fraaie tentoonstelling over Hendrik VIII (Henry VIII: Dressed to Kill) bleken de Cabinet War Rooms waar we min of meer per ongeluk terecht kwamen, een onverwachtte schat.
Dit museum, een onderdeel van het Imperial War Museum, is gesitueerd onder het Ministerie van Financiën waar tijdens de Tweede Wereldoorlog Churchill en zijn Kabinet en Legerleiding bivakkeerde.
Omdat het gebouw niet bijzonder inspirerend leek te zijn (de kelders van een ministerie, met bezemkasten en opslaghokken) en het verhaal van mannetjes die daar vergaderen ook niet (al ging het in veel gevallen over leven of dood), hadden we er weinig verwachtingen van. Het tegendeel bleek waar te zijn! De War Rooms zijn een doolhof aan kamers en verblijven, elk met een eigen verhaal, van bijzondere personen, eigenaardigheden, ongemakken en lief en leed op heel persoonlijke schaal. Met behulp van een uitstekende (Nederlandstalige!) audiotour liepen we door het gangenstelsel en kwam de geschiedenis behoorlijk tot leven. Het Churchill Museum zit ook erg goed in elkaar, met veel audiofragmenten en slimme video (projectie op de binnenkant van een vitrine bijvoorbeeld). Ook was de routing in beide (in elkaar overlopende) musea goed waardoor je duidelijk aan de hand werd meegenomen en geen onderdeel van het verhaal hoefde te missen. Duidelijk een museum/musea waar "lessen uit Londen" te trekken vallen.

donderdag 2 april 2009

Waar leg je de lat?

Goeie vraag. Waar leg je de lat? En hoe hoog?

Van de week kwam die vraag in een gesprek aan de orde en het is me door het hoofd blijven spelen.
Als je de lat constant heel erg hoog legt, is de kans natuurlijk ook heel erg groot dat je die hoogte niet haalt. Dat je de lat eraf gooit, of er zelfs gewoon onder blijft. Dat is behoorlijk frustrerend.
Leg je hem laag, misschien wel te laag, dan ga je er met elke spong over. In het begin leuk, maar na verloop van tijd is dat een saaie bezigheid geworden. Er moet natuurlijk wel wat uitdaging blijven in dat springen.
Die analogie van hoogspringen, de lat op een bepaalde hoogte leggen of over een lat heen moeten die iemand anders voor je heeft neergelegd, bleef me boeien. Want is het niet zo dat je je wedstrijden zorgvuldig moet kiezen? Hoe goed je geoefend bent in het hoogspringen? En hoe goed je trainer is?

Zo ook in het normale (museum)leven. Je weet wel ongeveer hoe goed je bent, of je bepaalde zaken aankan. Het is dus nogal situationeel hoe hoog je de lat legt. In het museum ben ik ooit begonnen met kleine sprongetjes en toen die bleken te lukken, ben ik voorzichtig wat hoger gegaan. Tegelijk weet ik dat bepaald soort sprongen niet mijn ding zijn, dan spring ik dus niet, of heel laag, of ik laat iemand anders springen ;-)

Nu staat het museum (en dus ook ik) voor misschien wel de hoogste sprong tot dusverre: de verhuizing naar een nieuwe locatie binnen de vesting en een heel andere opzet van presenteren en werken. Heel spannend.
Maar de omstandigheden zijn gelukkig goed, de zon schijnt, we hebben de wind in de rug, de trainer is goed, we hebben getraind de afgelopen jaren, er zijn trouwe supporters. Dan weet je bijna dat dit de sprong is, dat de situatie niet beter kan. Niet langer twijfelen of je het wel of niet gaat halen, het maakt niet langer uit hoe hoog de lat ligt: springen!

vrijdag 27 maart 2009

Over keuzes, muizen en kansen

Misschien wel de lastigste beslissingen om te maken zijn die waaraan je je tijd besteed. Natuurlijk gaat dat vaak min of meer vanzelf. Afspraken worden gemaakt, je checkt de agenda of je nog ergens een gaatje hebt en afhankelijk van het belang van de afspraak, plan je die in (of niet).
Bestuursvergaderingen, medewerkersoverleg, tentoonstellingsopeningen, dat soort zaken vult je agenda ook met vaste punten.

Maar dan de vloedgolf aan uitnodigingen! Elke week komt er wel weer een stapel bij, zowel fysiek als digitaal: openingen van exposities in musea, symposia, studiedagen, workshops, netwerkbijeenkomsten, lezingen, vergaderingen van diverse clubs waar het museum op de een of andere manier mee te maken heeft.
Als je overal heen zou gaan, zou je absoluut geen tijd voor 'gewoon' werk meer hebben, zou je nooit meer koffie hoeven zetten of een boterhammetje meenemen voor tussen de middag of zelfs maar een borrel in huis te halen. Alle natjes en droogjes zijn ruim voorhanden.

Ik probeer (zoals iedereen in een vergelijkbare situatie) er maar een beetje tussendoor te laveren. Soms moet je bijna wel gaan omdat het iets van een goede collega is en voor hem of haar erg belangrijk. Soms is het belang zo evident dat je ook niet lang hoeft na te denken, een bijeenkomst over de nieuwe cultuurnota in Noord-Holland en de vraag hierover mee te praten, mee te denken.
Maar meestal zijn het bijeenkomsten waarvan je absoluut het belang niet kan inschatten. Een toeristische netwerkdag met bottervaren? Een studiedag met workshops in een bijzonder fort van de Waterlinie? Een cursus "de Waterlinie in het digitale tijdperk"? Een kick-off (een startbijeenkomst dus ;-) van het ATCB-UTR over MICE meets Metropolis?
Tsja, dan ga je maar een beetje op je gevoel af: hoeveel van dit soort dingen heb ik deze maand al gedaan? Zou het iets opbrengen voor het museum? Kan ik er iets leren? En ook platvloerse afwegingen als 'past het in mijn reisschema' of 'hoe zit het op die tijd en plaats met files'?
En soms is het raak en heb je een geweldig leuke en nuttige bijeenkomst en soms is het ook totaal mis en zonde van je tijd geweest.

Zo ook gistermiddag. En dan kom ik bij de muizen uit de titel. MICE meets Metropolis in Zaandam. Een bijeenkomst in de prachtig gerestaureerde Verkadefabriek (waar tot 2004 chocoladeletters werden gemaakt!), in café de "Koekfabriek". In de omgetoverde fabriekshal kregen we informatie over hoe het ATCB en UTR (zoiets als VVV Amsterdam en VVV Utrecht) de zakelijke markt willen bedienen met excursiemogelijkheden, vergaderlocaties, teambuildingactiviteiten en dergelijk op bijzondere en kleinschalige locaties in de regio buiten de steden Amsterdam en Utrecht zelf. En dat bleek dus een prima initiatief en ook een goed geslaagde bijeenkomst te zijn. Veel kleintjes, waaronder het Vestingmuseum, hebben altijd het idee gehad dat ze te klein zijn voor zakelijke bijeenkomsten. Maar dat werd met kracht weerlegd door de sprekers waaronder een grote event-organisator. Directieteams, managementteams, afdelingssessies, MKB-uitjes hebben allemaal behoefte aan leuke, bijzondere locaties die niet persé enorm groot of befaamd hoeven te zijn.

En dan heb je opeens een erg leuke middag gehad, met nuttige contacten (niet "wat" je kent, maar "wie" je kent), met kansen voor toekomstige arrangementen en erg lekkere koffie, met een Verkade Café Noir koekje erbij natuurlijk!

zaterdag 21 maart 2009

Vermist

Bij werken in een museum horen soms bijzondere ontmoetingen. Mensen die iets willen weten dat met hun persoonlijke geschiedenis te maken heeft. Dat is me in de afgelopen jaren in verschillende musea al vaker overkomen en ook nu kwam weer zo'n toevallige ontmoeting tot stand waar een verhaal achter zit.

In een vorige Blog schreef ik over het project Tarakan en de bloedige strijd die daar in 1942 en later in 1945 is gestreden.
Bij de subsidieaanvraag van dat project kreeg ik van de beleidsambtenaar van het Ministerie van VWS een mailtje doorgestuurd van een meneer Lucardie uit de VS die belangstelling had om de geschiedenis van Tarakan nader te onderzoeken. Men kon op het ministerie niets voor die meneer betekenen, maar dacht dat wij wellicht iets met zijn vraag aankonden.
Ik las de mail van Frank Lucardie en zag dat zijn vader als officier van gezondheid in Oost-Borneo was geplaatst toen de Japanners Nederlands-Indië aanvielen. Hij wilde graag uitzoeken hoe het precies met de Nederlandse militairen was afgelopen in die fatale dagen van januari 1942.
Pas na een mail van mij naar Lucardie om te vertellen dat het Vestingmuseum een project op Tarakan zou gaan doen en waarin ik wat vragen aan Lucardie stelde kreeg ik zijn aangrijpend verhaal te horen.
Vader Lucardie zou met het gezin naar Borneo vertrekken en zoon Frank zou vanwege het schooljaar later achter hen aan komen. Maar het uitbreken van de oorlog haalde al die plannen onderuit. Hem staat nog levendig voor de geest dat hij zijn familie uitzwaaide op het station van Soekaboemi (Java) en zijn vader bleef zwaaien tot ze een stipje aan de horizon waren geworden.
Hij zou zijn vader, moeder en zusters nooit meer zien.

Bij later onderzoek in 1996 bleek dat zijn vader als arts op Tarakan gesneuveld is of vermoord door de Japanners na afloop van de strijd in januari 1942. Maar ook kan hij als krijgsgevangene in het voorjaar van 1945 nabij Tarakan zijn omgekomen toen het schip waarop alle KNIL krijgsgevangenen (zogenaamd) zouden worden afgevoerd moedwillig door de Japanners tot zinken werd gebracht.
Ook zijn moeder en oudste zus Rosaline werden in de overlijdensacte van het Indisch Gouvernement genoemd, maar niet zijn jonste zuster Gertrude die toen nog maar een jaar oud was!
Frank Lucardie denkt dat zij wellicht door de Soendaneese familie die bij hen werkte onder de vleugels kan zijn genomen. Moeder Ripah en Gertrude trokken veel met elkaar op en veel mensen dachten dat Gertrude een kindje van Ripah was. Misschien heeft zijn moeder bij de invasie door de Japanners Gertrude aan de zorg van Ripah overgedragen en is ze nog in leven.
Voor hem een onverteerbare gedachte niet te weten hoe het met zijn zus is afgelopen.

Ik heb niet de illusie dat we haar kunnen opsporen, maar het minste wat we kunnen doen is als we in Tarakan zijn navraag doen en onze contacten in Indonesië aanspreken of er op enige manier nog iets uit te vinden is.
Zo krijgt een eerst nogal papieren project opeens een heel persoonlijke dimensie.

dinsdag 17 maart 2009

Tranen voor de Rabijn

Een blog dat maar zijdelings met musea te maken heeft, maar wel alles met hoe verhalen geschiedenis bijna tastbaar kunnen maken.

Zondagmiddag, Koninklijk Conservatorium Den Haag. We zijn bij de "Hoop, stap, sprong dag" van de boeddhistische organisatie Soka Gakkai Internationaal. De eerste spreker van de middag was Rabijn Awraham Soetendorp en hij maakte een onvergetelijke indruk op mij met zijn toespraak over hoe een blik van hoop in de ogen van een baby verandering in het leven kan brengen. In dit geval letterlijk "in leven".
Hij verhaalde over hoe hij als baby in 1944 in zijn wiegje lag toen Nederlandse politieagenten en een Duitse Gestapoman bij zijn familie binnenvielen. De Gestapoman keek naar de baby in de wieg en zei "wat jammer dat het een Joodse baby is" waarop Soetendorps vader als antwoord gaf "ik ben blij dat het geen kind van moordenaars is". De man keek weer naar de baby, zag blijkbaar iets in de ogen van de baby en begon vreselijk te vloeken en te tieren. Daarna draaide hij zich om naar de volwassenen en schreeuwde hen toe "Jullie Joden zijn te smerig om vandaag op te pakken! We komen morgen terug". Dat gaf de familie tijd om Awraham onder te brengen bij een pleeggezin. Daar kon hij de oorlog overleven.

Soetendorp bracht dit verhaal met zoveel intensiteit, met zoveel overtuiging over de kracht van hoop, hoop die hij als baby blijkbaar op de Gestapoman wist over te brengen, dat menigeen in de zaal tot tranen geroerd was. Tranen voor de Rabijn.

De kracht van hoop, de kracht van verhalen. Aansprekende verhalen die de basis moeten zijn van wat musea aan de bezoekers willen vertellen.

maandag 16 maart 2009

De brandweer, je beste vriend

Maandagmorgen, 10.00 uur, inspectie brandveiligheid. Niet mijn meest favoriete afspraak. Meestal een rondje door het museum waarbij je mompelend "dat zullen we repareren" achter de preventieman van de brandweer aan hobbelt, alles op een blaadje krabbelen om later de onvolkomenheden te laten herstellen. Noodlamp hier, rookmelder daar, transparant, slow woop.

Dit keer was het heel anders. Een nieuw gezicht van de Naardense brandweer deed zijn intrede. Het begon weer met de gebruikelijke kop koffie en een praatje over van alles en niks, maar bij de rondwandeling door het museum bleek al snel dat deze man naar heel andere dingen keek. Ik begon me al te verontschuldigen voor een niet brandend nooduitgangbordje, maar aangezien hij er helemaal niet naar keek en ook niks over zei, liet ik m'n gemompel maar wegsterven.

We kregen een discussie over wat belangrijk was bij brand, de regels of de mensen en dat was heel verfrissend moet ik zeggen!
Op één plek in het museum hebben we namenlijk een 65 meter lange, doodlopende luistergang. Daar hield in de 17e eeuw een soldaat de wacht om te luisteren of de vijand 's nachts de vestinggracht wilde oversteken. De vorm van de gang, met luisterhoorntjes op het dak, versterkte het geluid binnenin.
Die luistergang ligt weer zo'n 60 meter van de ingang van de ondergrondse kazemat af en diezelfde ingang is tegelijk ook de enige uitgang. Als er dus brand is in de kazemat, zit je in die luistergang dus héél ver van de veilige uitgang af.
Nu had de brandweer in 2004 bedacht dat je dan als bezoeker maar rustig achter de glazen tochtpui moest afwachten tot je door brandweermannen met perslucht en maskers opgehaald zou worden. Dat was dan ook de instructie die daar voor bezoekers was opgehangen.

De nieuwe preventieman vond dat maar onzinnig. Hij had liever dat bezoekers langs een net ontstaan brandje zouden lopen, door lichte rook heen snel naar buiten, met misschien lichte klachten van de rook, dan minstens een kwartier (en waarschijnlijk veel langer) achter die tochtpui te moeten wachten op de komst van de brandweer terwijl de gangen zich meer en meer met rook zouden vullen. Een angstige situatie leek hem (en mij ook).

Regels aanpassen aan gebouwen in plaats van gebouwen aanpassen aan regels, zeker bij een 17e eeuws vestingwerk en monument als dat van ons, met veiligheid en haalbaarheid voorop. Verfrissend dus.